17-09-04
ze kent geen kleuren
Recht tegenover mijn werk is een instituut voor doven en blinden. Voor autisten, karaktergestoorden, hotelbedienden, adhd-ers en de crème van het katholiek onderwijs in blauw uniform, is er daar ook ergens een school. Veel van die gasten zitten in een internaat.
Dat bonte gezelschap moet dus de vrijdagavond naar huis.
Natuurlijk moeten al die scholen op hetzelfde uur stoppen op vrijdagavond. Ik zie die directeurs al samen op een vergadering zitten, handenwrijvend met een grijns :“Doen we het of doen we het niet ?”. Collectief gekreun van genot als het antwoord : “Ja, we stoppen allemaal samen om vier uur”, blijkt te zijn.
Ik sta dus op mijn bus te wachten samen met enkele honderden jonge mensen. Laat ons zeggen tweehonderd, zonder overdrijven. Nu moet je weten dat er op een bus 60 mensen kunnen. Echt waar, er hangt zo’n bordje in de bus : “maximum 60 plaatsen”.
Ik kan je verzekeren dat je die zestigste er in moet stampen, dat iedereen wat oppervlakkiger moet ademen en dat je de banden van de bus moet bijblazen.
Ik ben al aan het rekenen. Dat is trouwens mijn vak, en ik kan het in mijn privé-leven ook niet laten om altijd van alles uit te rekenen. 300 : 60. Dat is al niveau hé. Zestig procent van de Vlaamse bevolking kan dit niet uitrekenen, moet je weten. (cijfers prof. Vandamme, IALS onderzoek)
“Dat is vijf”, mijmer ik, uitkijkend op het brugje over de rei waar een optocht van stokkenzwaaiende blinden, valiezensleurende doven en een geüniformeerde massa aankomt.
Er zijn minimum vijf overvolle bussen nodig om dit grappig zootje ongeregeld naar het station te brengen.
Ik neem het besluit om mijn trein niet te missen en ik worstel mij naar de eerste linies. De frontlijn, daar waar gevochten wordt om de deur van de bus.
Ik toon mijn abonnement al van ver aan de buschauffeur. Daar heb ik al eens goeie resultaten mee gehad, maar hij lijkt zich dit keer niet te storen aan mijn blauw kaartje.
Hij stopt op een meter of tien van mij; ik heb het zweten. Een onoverbrugbare afstand doorheen die massa die nu net voor de deur staat.
Samen met een Afrikaanse mevrouw in klederdracht, wij zijn hier de enige volwassenen, trek ik mij terug naar de muur.
Als bij toverslag komt er een tweede bus aangereden. Er zitten al twee mensen op die angstig kijken bij de komende overmacht. De chauffeur blijft tien seconden met de deur dicht staan, zucht diep en opent dan zijn sluizen.
De Afrikaanse mevrouw en ik, wij worstelen ons zij aan zij doorheen de zwetende pubers.
We behalen een voordeelpositie door ons strategisch voor een blinde te plaatsen, die zwaait zo driftig met zijn stok rond dat er plaats vrij komt net voor de deur.
De Afrikaanse mevrouw en ik springen in het gat en … dan help ik natuurlijk galant de blinde jongen op de bus. Die pubers hadden hem bijna te pakken.
“Bedankt”, fluister ik hem in zijn oor, hij grijnst en zoekt mijn hand. Ik schud de zijne enthousiast en hij grijnst nog meer. “Ook bedankt”, zegt hij. Toffe knul.
De Afrikaanse zit (ze zit!!) me genoegzaam aan te kijken.
Ze steekt haar vuist in de lucht. Ik zweef. Dit is bijna zoals in de Eerste Wereldoorlog, Afrikanen en Belgen samen aan het front. Ga het maar na, in de Eerste Wereldoorlog vochten hier Bantoes aan het front in Ieper aan onze zijde. In klederdracht.
Ik heb geluk. Vlak voor me staat een lief, mooi meisje. Je moet geluk hebben, hoor, als je in zo’n bus geperst wordt. Voor hetzelfde geld sta je daar lijf aan lijf met een dakloze die in zijn broek gescheten heeft. Ik overdrijf niet. Ik heb dit namelijk al meegemaakt. Verder wil ik daar over zwijgen.
Ik heb dus geluk deze keer. Het meisje geurt naar bloemen, niet doordringend, maar subtiel. Ze heeft geen ogen. Haar oogkassen zijn leeg.
Toch is ze heel knap in haar gezicht, op haar manier. Ik excuseer me voor het dringen als de bus draait en ze glimlacht. “Geeft niet hoor”, zegt ze, “het is elke vrijdag zo.” “Waar zijn we nu?”, vraagt ze en ik vertel haar van het Sint-Jansplein en de oude bibliotheek. Wat verder over de nieuwe bibliotheek, de Biekorf, en dat daar duizenden boeken staan. “Duizenden boeken”, herhaalt ze met ontzag in haar stem.
Ik vertel haar dat het nieuwe Concertgebouw op het Zand oranje van kleur is. “Wat is oranje”, vraagt ze, en ik krijg een krop in mijn keel.
Ze kent geen kleuren. Ik moet haar bekennen dat ik bij God niet weet hoe ik oranje moet beschrijven. Ze lacht. “Niemand kan dat”, lacht ze.
Aan het station staat een man van de Spoorwegen haar op te wachten.
“Tot ziens”, zegt ze nog.
Ze neemt de man zijn arm en ze laat zich begeleiden naar haar trein.
Dit is een ware treinbegeleider. Dit is de NMBS zoals ik hem wil.
Goed voor de mensen.
Voor alle mensen.
20:38 Gepost door jacoja | Permalink | Commentaren (5) | Email dit |
Facebook |






Commentaren
Yes,thats it Goe gedaan. Das een om terecht trots op te zijn. Prachtig, magnifiek, en nog wat overtreffende lofuitingen
Gepost door: Jan | 17-09-04
oranje Oranje is mijn lievelingskleur. Oranje is de kleur van de ondergaande zon. Oranje is de kleur van de appelsien die sappig in je monde explodeert. Oranje is zuiders. Oranje is de kleur van het verkeerssignaal "het mag nog maar haast je" Oranje is net niet rood en net niet geel.
Gepost door: koninkske | 21-09-04
oranje ja maar daar mee weet een blinde nog niet wat oranje is !!!!
Gepost door: jacoja | 21-09-04
oranje zeg gewoon: hup holland hup, dan weet ook een blinde waar het over gaat
Gepost door: dirk | 03-10-04
oeps, vergeten prachtig stukje, ik kreeg tranen in mijn ogen toen ik het las, aangenaam verrast (ook door de bantoes, 't is echt hartverwarmend om te horen en een brokje info dat je kan gebruiken om een gesprek over bijv. 'asielzoekers' mee te kruiden)
Gepost door: dirk | 03-10-04
Post een commentaar