30-09-04

Maffiapraktijken!

Vandaag werd er een aanslag gepleegd op mijn leven en op mijn fietske.

Ik voeg een foto toe aan deze blog zodat je kunt zien dat ik niet lieg.

Ik lieg trouwens nooit (meer). Je komt daar niet ver mee, met liegen.

Geloof me maar.

 

Vlakbij het station van Gent-Sint-Pieters is er een overdekte fietsenstalling. Ik zette mijn fietske daar zoals altijd, zodat het droog zou blijven.

Of zou kunnen drogen.

Meestal moet het kunnen drogen.

Hoe opgewarmder de planeet, hoe meer mijn fietske moet kunnen drogen.

Ritueel haalde ik mijn fietscomputer van mijn stuur.

Vervolgens

Sorry, mijn lieve vrouwtje kwam even bij me staan en dan moeten we een beetje keppe doen.

 

Vervolgens haalde ik mijn ketting tevoorschijn.

Overdekt of niet, het blijft een Géntse fietsenstalling.

Een ketting met stalen schakels van een halve centimeter diameter volstaat om die schurken van studenten op andere gedachten te brengen.

Een ferm yaleslot helpt daar natuurlijk ook wel aan.

Gebukt onder het gewicht van de ketting en het slot zette ik mijn fietske in de rekken.

Netjes in de gleuf. Niets aan de hand.

 

Nu eerst even wat zoentjes geven aan mijn lieve vrouwtje.

…..

 

Vanavond weer dat ritueel maar dan natuurlijk in omgekeerde volgorde.

Ik gooide heel die ballast van kettingen en sloten in mijn fietszak.

Een gerammel en gerinkel van jewelste weerklonk in de overdekte fietsstalling.

Het klinkt daar als in een kerk.

Ik ramde mijn fietscomputer op zijn plaats.

Gezwind sprong ik op mijn fietske.

Ik mocht immers naar huis, naar mijn liefste, vandaar dat ik zo gezwind sprong.

Ik reed de straat op, het gaat daar een klein beetje bergaf.

Ik moest de weg kruisen, tussen de auto’s door.

Er kwam een auto gevaarlijk dichtbij.

Dus gooide ik mijn remmen toe.

En ik knalde met mijn beeldbuis tegen de straat.

IK KON NIET REMMEN.

Er zat totaal geen druk op mijn remmen.

Ik reed met mijn voorwiel tegen de bumper van de auto, waarna ik vrij gedetailleerd en van dichtbij het profiel van zijn banden kon bestuderen.

Er was geen schade, dus de bestuurder en ik schudden elkaar galant de hand. Ja, als er geen schade is, komt de heer in ons weer boven.

Ik bekeek mijn fietske met een frons terwijl het daar zo op de straat lag.

“Gaat hij mij nu echt in de steek laten”, dacht ik, en een lichte paniek kwam op.

Toen zag ik het.

De kabels van mijn remmen waren losgemaakt!

Zowel van voor als van achter!

DIT WAS GEEN ONGEVAL!

DIT WAS EEN AANSLAG!

Eén of andere smeerlap had beide kabels losgemaakt.

Dat er één per ongeluk los zou komen, akkoord.

Maar twéé? Van voor én van achter?

Sabotage. Maffiapraktijken.Terroristen. 

Maar pas op, hé, maat.

Zit nog een keer met je fikken aan mijn fietske en ik wacht je op, daar in dat overdekte stal. Al moet ik daar een dag en een nacht staan wachten. Ik neem verlof!

Ik plooi een fietskader rond je nek.

Ik steek spaken door je oren.

Ik maak afdrukken van de letters op mijn fietsbel op je bloot gat, maat.

Tenminste, als je kleiner bent dan ik.

Anders….

 

Mijn vrouwtje zegt dat ik moet komen.

Ze moet dat maar één keer zeggen!

Ik ben al onderweg!



21:48 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (2) | Email dit |  Facebook |

27-09-04

mijn thermos

Mijn thermos.

 ’s Morgens moet ik vroeg opstaan om al die bussen en treinen te halen om in Brugge te geraken.

Bus 3 naar de Korenmarkt, dan tram 40 tot aan het station.

De trein naar Brugge en dan bus 8 naar mijn werk.

Leuk hoor, elke dag trein-tram-bus-dag.

Ik win echter veel tijd uit door het eerste deel tot aan het station op mijn fietske af te leggen.

Ik heb het de laatste tijd echter al veel over mijn fietske gehad tijdens het bloggen, dus, ander onderwerp : mijn thermos.

Ik zal hiernaast een foto plaatsen van mijn thermos, zodat de lezer zich er een juist beeld van kan vormen.

Het is een grijze, geribbelde thermos met een witte kop erop geschroefd. Model 1975.

Kan de lezer even checken of dat klopt? Heb ik niet per abuis een andere foto op mijn blog gezet? Mijn vrouw zou niet echt content zijn als ik hier per ongeluk bijvoorbeeld een foto van haar in hare bloten op mijn zou blog zetten.

Ik neem elke dag mijn thermos met koffie mee. Na het fietsen ben ik meestal redelijk uitgeput. Mijn conditie gaat er nogal op achteruit de laatste tijd. Zou mijn moeder toch gelijk hebben als ze zegt dat ik te veel Leffes drink?

Ik heb dan heel veel deugd van een lekkere tas verse koffie op de trein.

Ik maak daar een heel ritueel van, hoor.

"De kunst van het openen van een thermos verse koffie op de trein.”.

Het gaat zo : ik zet de thermos met een klap op het tafeltje. Natuurlijk niet té hard, het zou anders nogal een afgang zijn, al dat gerinkel.

Al wie rond me zit, kijkt al naar mijn thermos. Die klap op tafel, weet je wel.

De jonge gasten bekijken me als was ik een onnozelaar : wie heeft in 's hemelsnaam zo’n mega lelijk gigading als deze klere-thermos?

De leeftijdsgenoten rond me kijken begrijpend. “Ja, een tas koffie zou er wel ingaan”, daar zijn ze het over eens.

De senioren kijken altijd nostalgisch. Ze dromen weg bij het zien van mijn grijze thermos. Ze denken aan betere tijden.

Dan neem ik plechtig de thermos vast en ik schroef de kop er af. De mensen rond mij volgen van uit hun ooghoeken mijn bewegingen.

Ik zie dat, hoor!

Die meneer daar in de hoek tegenover me zit van boven zijn Metro te gluren naar mijn thermos. En die madam houdt haar gsm zo hoog om erlangs naar mijn thermos te kijken.

Als de kop er af is, zet ik die ook met een klap op tafel. Kwestie van de aandacht bij de zaak te houden.

Dan komt le moment suprême : het afschroeven van de dop van de thermos.

Het is als die reclame van Mister Proper.

Het aroma van mijn koffie draait als een tornado door de wagon. Alle neuzen gaan de lucht in. Velen vallen flauw.

Goed, dat laatste is wat overdreven, maar toch : bijna flauw.

Het is maar een kort moment van glorie, al bij al vijf seconden en dan is die geur verdwenen. Opgelost in de andere geuren van de wagon. Van die andere geuren ga ik zwijgen.

Ik schenk mijn kop vol en de aandacht zwakt weer af.

De meeste nemen hun Metro vol met taalfouten weer op of zetten hun gesprek met de gsm weer verder.

Ik drink rustig mijn tas koffie en blog wat in mijn hoofd.

Dat heb ik nog te kort : een internetverbinding op de trein.

Dat moet toch te doen zijn? Dan kan ik met mijn draagbare bloggen op de trein.

Ik kan het al op een terras in Gent, waarom dan niet op de trein?

Komaan NMBS, een draadloos netwerkje.

Ik wil het komen installeren, hoor!



20:22 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (23) | Email dit |  Facebook |

25-09-04

LEES

al wat hier onder staat is om te LEZEN
LEAN BACK AND READ
behoor jij nog tot de gelukkigen die kunnen LEZEN?

23:32 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (4) | Email dit |  Facebook |

Zij weende, hij kuste.

Zij weende, hij kuste.

 

Woensdagavond laat stapte ik uit op het perron in Gent. Een jong koppeltje was er afscheid aan het nemen. Hij vertrok met pak en zak, zij bleef achter.

Het meisje weende bittere tranen. Hij bleef maar kusjes geven.

De conducteur, een al wat oudere, grijze man, stond discreet van op een afstand te kijken. Met één oog naar het koppeltje, met zijn ander oog naar het uurwerk.

Hij keek vertederd naar het meisje. Hij dacht waarschijnlijk aan zijn dochter.

Ik bleef wat verderop staan en keek vertederd naar het tafereel.

Ik dacht ook aan mijn dochters. Mijn hart deed pijn.

De trein moest vertrekken. Nu.

Ik zag de conducteur twijfelen.

Hij bracht zijn fluitje naar zijn mond … en haalde het er weer uit. Keek naar het koppeltje en keek nog eens naar het uurwerk. Al een minuut te laat.

Hij draaide zich om en bestudeerde aandachtig gedurende nog twee minuten de deur en het onderstel van de trein.

Het meisje snikte luid en de jongen gaf steeds luidere zoentjes.

De conducteur draaide zich om met een spijtige blik.

Hij floot, de jongen hees zich op de trein.

De deuren sloten zich, de jongen zwaaide van achter het raam en de trein vertrok.

Een tiende van een seconde nog zag ik het gezicht van de conducteur. Hij keek me triest in de ogen.

Het meisje liep naar de trap, snikkend in haar zakdoek.

Met een gebroken hart reed ik naar huis.

Zoveel blues op één avond.

Het regende en dat was maar goed ook.

Ik had de blues en dan kon het beter regenen.

Eigenlijk háát ik afscheid. Verdomme.

Er was maar één ding dat mij kon troosten : het warme lijf van mijn vrouw, slapend nu al, maar warm en thuis.

Geen afscheid, maar een welkom thuis.

In haar slaap kwam ze knus tegen me aan liggen.



22:25 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (3) | Email dit |  Facebook |

23-09-04

Blog aan de Burgemeester van Stad Gent, de heer Frank Beke

 

 

Betreft : de wielen en de banden van mijn fietske, mijn nieuwe Mephistoschoenen en de vullingen in mijn tanden

              

 

Geachte heer Burgemeester,

 

Ik weet dat u niet veel tijd hebt, ik weet dat u zoveel aan uw hoofd hebt, maar toch wil ik u eens wat vragen.

Ik probeer het rechtstreeks en duidelijk te verwoorden zodat u niet te veel van uw kostbare tijd moet besteden aan het lezen van deze blog.

Deze morgen regende het nogal. Zeg maar gieten. Bakken water vielen er uit de lucht en ik moest daar met mijn fietske door naar het station.

Ik heb mij ondertussen een gloednieuw regenpak aangeschaft, superkwaliteit, echt waar. Dubbele lagen, gemaakt van wat weet ik veel voor ruimtevaartmateriaal, en overal verluchtingsgaten tegen het zweet. Ik begrijp nog altijd niet hoe je droog kunt blijven in een pak met zó veel verluchtingsgaten. Dat regent daar toch in, in die gaten?

Ik zie er uit als een astronaut met die rugzak als een zuurstoffles onder mijn regenjas, maar dat moet je erbij pakken.

Ik stort me dus met mijn fietske de straat op en ik spetter richting station.

U moet weten, meneer de Burgemeester, dat ik op dat uur van de dag al niet echt welgezind ben.

Ik kan niet tegen vroeg opstaan, mijn biologische klok is daarvan totaal van de kaart. De wijzers draaien als het ware zot.

Ten tweede moet ik mij fysiek verwijderen van mijn lieve, warme vrouw. Ik háát dat. Ik ben zo op mijn gemak als ik bij haar ben dat ik eigenlijk bij haar wil blijven. De hele dag. De hele nacht ben ik al bij haar, moest die dag daar nu nog bijkomen, ik zou perfect gelukkig zijn.

Ten derde heb ik gisterenavond een Leffe te veel gedronken. Ik kan mij ook nooit inhouden.

 

Als het dan nog zo regent, kan u zich wel inbeelden hoe ik me voel. Een beetje zoals u zich voelde toen die kanalen overliepen, omdat u niet goed wist wat u met het slib moest doen.

 

Tot aan de Rooigemlaan rijd ik sedert een week op een rode loper. Daar heb ik geen klagen over, hoor!

Jongens, wat een fietspad. Verleden week waren daar een stuk of vier échte Turkse astronauten aan het werk met een spuit waar rood, kleverig poeder uit kwam. Die mannen droegen een wit pak met zo’n zuurstofhelm. Dat moet wreed gezond werk zijn.

“It’s a small step for man, …” , declameerde ik toen ik hen voorbijreed. “Armstrong”, riep de verste me achterna en hij stak zijn witte duim omhoog.

Maar goed, dát is dus een fietspad.

Over het fietspad langs de Rooigemlaan kan ik normaal ook niet klagen, behalve als het regent zoals vandaag. Doe eens uw regenjas aan, meneer de Burgemeester, pak uw paraplu ook maar mee als het regent zoals deze morgen, en kom dat eens bekijken. Om de vijftig meter staat er een klojo met zijn auto op het fietspad. Met zijn vier pinkers aan, zo van : “Ik mag hier staan, want ik ben aan het laden en lossen”. Mijn voeten, je moet eens zien wat ze laden en lossen : hun vrouw, zodat haar kapsel niet nat wordt, hun hond, ze drágen hem naar de auto. Wie draagt nu in godsnaam een hond?

Ik mag elke keer mijn leven en het frame van mijn fietske riskeren door op die viervaksbaan te gaan rijden.


Aan de Nieuwe Wandeling moet ik rechtsaf naar de Watersportbaan.

Daar begint de hel.

Organiseer daar een wielerkoers, meneer de Burgemeester, en noem hem : ”De Hel van Gent, en omstreken”. Het zal u stemmen opleveren.

De rijbaan is een maanlandschap. Overal meteorietinslagen. Hoe hier geen astronauten rondlopen, ik weet het niet.

Nu, dat wegdek kan me gestolen worden, ik rijd niet meer met een auto.

Het fietspad, daar gaat het mij tegenwoordig om.

Eerst moet je erop geraken, want het ligt zo’n vijftien centimeter boven de rijweg. Op zich is dat veilig, juist. Een goede scheiding tussen de vierwielers en de tweewielers is gezond. Maar je moet erop geraken. Sommige mensen rijden de hele afstand op de rijweg, in blinde paniek tussen de ronkende bussen en de walmende vrachtwagens. Ze geraken gewoon niet op het fietspad. Er is namelijk maar hier en daar een boordsteen wat lager dan het fietspad. Ja, vijftien centimeter, daar geraak je echt niet op met je fiets. Wat lager betekent toch nog altijd minstens tien centimeter hoog. Dat is heel wat voor een fiets.

Ik heb daar allemaal geen tijd voor, ik moet mijn trein halen. Ik knal aan vijfentwintig per uur die boordsteen op en ik hots verder. Dat is echt niet goed, hoor, voor de wielen en banden van mijn fietske. Dat gaat daar allemaal van kapot. Ik wiebel ondertussen nogal, er zit al een slag in mijn wiel.

Hotsen, meneer de Burgemeester, inderdaad. Je kunt dat geen rijden noemen. Van de ene put in de andere, ik rijd dat stuk nu al drie maanden en ik vind gewoon geen parcours tussen die putten. Ik verloor in die drie maanden vier vullingen van mijn tanden. Ik ben er zeker van dat die putten daarvan de oorzaak zijn.

Als het regent, is het nog erger. Véél erger.

Er staat zoveel water in die putten als in de Watersportbaan. Met al dat slib staat daar al niet meer zoveel water in.

Nu had ik vandaag besloten om mijn nieuw paar schoenen aan te doen. Voor de eerste keer geen sandalen meer, maar mijn splinternieuwe Mephisto’s, met verwisselbare zool, van nondedju 200 euro. Je moet nu niet denken dat ik manager ben van een bedrijf of zo, 200 euro is een serieuze hap uit mijn budget, hoor. Ik moet zulke schoenen dragen, omdat ik zweetvoeten heb.

Zo.

Nog een taboe doorbroken.

Het moet gedaan zijn om dat weg te steken, kom er voortaan open voor uit mensen. Zweetvoeten zijn geen schande. Je kunt daar niets aan doen dat je dat hebt. Wie weet, misschien heeft onze burgervader zweetvoeten. Zo heel de dag van hier naar daar crossen in dezelfde schoenen, het zit er dik in.

Wie zweetvoeten heeft, mag mij mailen (dat knopje hiernaast “mail me”) en ik zal het geheim tegen zweetvoeten verklappen.

Het moet gedaan zijn met die onderdrukking van de mensen met zweetvoeten. Ik moet mij inhouden of ik start een forum “zweetvoeten”op mijn blog.

Ik had mij voorzien. Een compleet regenpak, van kop tot … nee, niet “teen”.

Zeiknat, mijn nieuwe schoenen. Dat kan ook niet anders.

Ik reed “door een beke”, meneer Beke.

Mijn schoenen zullen nooit meer dezelfde zijn. Ik had beter zwemvliezen gekocht.

 

Hier en daar stopt er ook een bus op dat traject. Leuk georganiseerd, hoor : de reizigers stappen uit op het fietspad.

Knal, zo’n reiziger voor je wielen. Heden morgen was dat een oud vrouwtje. Ze kreeg haar paraplu niet open terwijl ze uitstapte. Ze zal hem nooit meer open krijgen. Ik reed hem aan flarden.

Kan ik er aan doen? Die bus stopt, opent zijn deuren, braakt er dat oud wijf en haar paraplu uit en rijdt al weer verder. En dat allemaal in twee seconden.

Nog een geluk dat ik dat Gents nog niet goed versta, want wat ze me nariep, zal niet mooi geweest zijn.

Ik ben eigenlijk vergeten wat ik u wilde vragen, meneer de Burgemeester.

Ik had me nog zó voorgenomen om kort mijn probleem voor te leggen. U hebt geen tijd, hé, steeds maar van de ene vergadering naar de andere lopen.

Elke dag een ander paar schoenen dragen. U kunt dat betalen.

En hier en daar wat putten vullen. Dat kunt u ook betalen.

Wat harten verwarmen. Dat kost geen geld.

Voor iedereen zo’n rood fietspad, een rode loper, naar het station.

Zo iets wilde ik vragen.

 

 

Hoogachtend,

 

Jacoja

 





21:59 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (3) | Email dit |  Facebook |

20-09-04

gisteren brein-lam-kus-dag


18:46 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (1) | Email dit |  Facebook |

17-09-04

ze kent geen kleuren

Recht tegenover mijn werk is een instituut voor doven en blinden. Voor autisten, karaktergestoorden, hotelbedienden, adhd-ers en de crème van het katholiek onderwijs in blauw uniform, is er daar ook ergens een school. Veel van die gasten zitten in een internaat.

Dat bonte gezelschap moet dus de vrijdagavond naar huis.

Natuurlijk moeten al die scholen op hetzelfde uur stoppen op vrijdagavond. Ik zie die directeurs al samen op een vergadering zitten, handenwrijvend met een grijns :“Doen we het of doen we het niet ?”. Collectief gekreun van genot als het antwoord : “Ja, we stoppen allemaal samen om vier uur”, blijkt te zijn.

Ik sta dus op mijn bus te wachten samen met enkele honderden jonge mensen. Laat ons zeggen tweehonderd, zonder overdrijven. Nu moet je weten dat er op een bus 60 mensen kunnen. Echt waar, er hangt zo’n bordje in de bus : “maximum 60 plaatsen”.

Ik kan je verzekeren dat je die zestigste er in moet stampen, dat iedereen wat oppervlakkiger moet ademen en dat je de banden van de bus moet bijblazen.

Ik ben al aan het rekenen. Dat is trouwens mijn vak, en ik kan het in mijn privé-leven ook niet laten om altijd van alles uit te rekenen. 300 : 60. Dat is al niveau hé. Zestig procent van de Vlaamse bevolking kan dit niet uitrekenen, moet je weten. (cijfers prof. Vandamme, IALS onderzoek)

“Dat is vijf”, mijmer ik, uitkijkend op het brugje over de rei waar een optocht van stokkenzwaaiende blinden, valiezensleurende doven en een geüniformeerde massa aankomt.

Er zijn minimum vijf overvolle bussen nodig om dit grappig zootje ongeregeld naar het station te brengen.

Ik neem het besluit om mijn trein niet te missen en ik worstel mij naar de eerste linies. De frontlijn, daar waar gevochten wordt om de deur van de bus.

Ik toon mijn abonnement al van ver aan de buschauffeur. Daar heb ik al eens goeie resultaten mee gehad, maar hij lijkt zich dit keer niet te storen aan mijn blauw kaartje.

Hij stopt op een meter of tien van mij; ik heb het zweten. Een onoverbrugbare afstand doorheen die massa die nu net voor de deur staat.

Samen met een Afrikaanse mevrouw in klederdracht, wij zijn hier de enige volwassenen, trek ik mij terug naar de muur.

Als bij toverslag komt er een tweede bus aangereden. Er zitten al twee mensen op die angstig kijken bij de komende overmacht. De chauffeur blijft tien seconden met de deur dicht staan, zucht diep en opent dan zijn sluizen.

De Afrikaanse mevrouw en ik, wij worstelen ons zij aan zij doorheen de zwetende pubers.

We behalen een voordeelpositie door ons strategisch voor een blinde te plaatsen, die zwaait zo driftig met zijn stok rond dat er plaats vrij komt net voor de deur.

De Afrikaanse mevrouw en ik springen in het gat en … dan help ik natuurlijk galant de blinde jongen op de bus. Die pubers hadden hem bijna te pakken.

“Bedankt”, fluister ik hem in zijn oor, hij grijnst en zoekt mijn hand. Ik schud de zijne enthousiast en hij grijnst nog meer. “Ook bedankt”, zegt hij. Toffe knul.

De Afrikaanse zit (ze zit!!) me genoegzaam aan te kijken.

Ze steekt haar vuist in de lucht. Ik zweef. Dit is bijna zoals in de Eerste Wereldoorlog, Afrikanen en Belgen samen aan het front. Ga het maar na, in de Eerste Wereldoorlog vochten hier Bantoes aan het front in Ieper aan onze zijde. In klederdracht.

Ik heb geluk. Vlak voor me staat een lief, mooi meisje. Je moet geluk hebben, hoor, als je in zo’n bus geperst wordt. Voor hetzelfde geld sta je daar lijf aan lijf met een dakloze die in zijn broek gescheten heeft. Ik overdrijf niet. Ik heb dit namelijk al meegemaakt. Verder wil ik daar over zwijgen.

Ik heb dus geluk deze keer. Het meisje geurt naar bloemen, niet doordringend, maar subtiel. Ze heeft geen ogen. Haar oogkassen zijn leeg.

Toch is ze heel knap in haar gezicht, op haar manier. Ik excuseer me voor het dringen als de bus draait en ze glimlacht. “Geeft niet hoor”, zegt ze, “het is elke vrijdag zo.” “Waar zijn we nu?”, vraagt ze en ik vertel haar van het Sint-Jansplein en de oude bibliotheek. Wat verder over de nieuwe bibliotheek, de Biekorf, en dat daar duizenden boeken staan. “Duizenden boeken”, herhaalt ze met ontzag in haar stem.

Ik vertel haar dat het nieuwe Concertgebouw op het Zand oranje van kleur is. “Wat is oranje”, vraagt ze, en ik krijg een krop in mijn keel.

Ze kent geen kleuren. Ik moet haar bekennen dat ik bij God niet weet hoe ik oranje moet beschrijven. Ze lacht. “Niemand kan dat”, lacht ze.

Aan het station staat een man van de Spoorwegen haar op te wachten.

“Tot ziens”, zegt ze nog.

Ze neemt de man zijn arm en ze laat zich begeleiden naar haar trein.
Dit is een ware treinbegeleider. Dit is de NMBS zoals ik hem wil.

Goed voor de mensen.

Voor alle mensen.

 

 

 

 

 




20:38 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (5) | Email dit |  Facebook |

09-09-04

night train

Woensdagavond. De trein van vier voor elf. De trein der miserie, de trein der zatheid, de trein der verdoemden. Je gelooft je ogen niet. Echt waar.

Het begon al beneden op het perron. Aan de voet van de roltrap werd ik aangeklampt door een man.

“Meneer, mag ik u wat vragen”, bralde hij me toe. Ik probeerde hem te negeren, maar hij trok aan mijn rugzak toen ik de roltrap op ging. Eigen schuld, dikke bult.

Waar zijn mijn reflexen? Nooit je rug keren naar de vijand. Ze hebben het er ingestampt, maar het heeft niet geholpen. Te veel vertrouwen in de mensheid.

Ik ging stomweg naar boven, met mijn rug naar hem toe. Ik kon toch wel verwachten dat die vieze klootzak met zijn vettig haar en zijn muil zonder tanden wat verder zou gaan in zijn toenaderingspogingen? Hij stond daarnet luidkeels de bijbel te citeren in de gang naar de perrons.

Je verwacht nu waarschijnlijk een bloedstollend gevecht, toch minstens een bloedneus en een ontwrichte kaak, daar op die roltrap.

Ik moet je teleurstellen.

Ik kon me omdraaien, hem een snauw geven, hij liet los, viel in coma van zattigheid en bleef nog wat botsen met zijn kin op de onderste trede van de roltrap. “Die roltrap stopt na enkele minuten”, dacht ik en ik begaf me naar het perron.

Daar was het ook feest. Ik stelde me verdekt op achter de borden met uurtabellen en ik bekeek de zaak eens op mijn gemak. Ik was toch tien minuten te vroeg, ik had verdomme een Leffe meer kunnen drinken daarnet.

Een wat oudere vrouw met lang, grijs haar en echt wel véél plastiek zakjes hing met haar armen over de reling van de trap waarlangs ik daarnet naar boven kwam. Duidelijk zo zat als een kanon. Ze had de hik. Haar hoofd wipte telkens ze hikte.

En eind verder stond een mooi, jong meisje. Een jaar of achttien schatte ik zo. Ze was erg mooi gekleed, een soort avondjurk met sandaaltjes en van die veters die in een patroon rond haar enkels waren gevlochten. Ik vind dat zo verdomd sexy. Tenminste als het mooie enkels zijn, maar dat waren het! Machtig mooie benen ook. Knap ding, maar er was werk aan. Ze stond namelijk ook te wippen. Ze luisterde naar een walkman, snoeiharde muziek. Je zag alleen het wit van haar ogen. Zo stoned als een garnaal. Bijna wipte ze van het perron op de sporen, maar ze kon wankelend haar evenwicht herstellen en ze ging toch een paar meter meer naar het midden wippen. Mijn hart wipte ook even. Stel je voor dat dat jong, mooi ding daar op de sporen viel en de trein kwam en reed er daar zo even haar mooie benen af. Of erger.

Ha. Nog volk. Een drietal : een zatte Japanner ( een halve Leffe), een zatte Engelsman (een bak Leffe als het geen Schot is, da’s twee bakken), en een zatte ik weet niet welke nationaliteit (en ik kan dus ook niet bepalen hoeveel Leffes). De Jap sprak Frans, eigenaardig, de Engelsman Engels en diene andere iets waar ik kop nog staart aan kreeg. In elk geval, geen één van de drie verstond ook maar een woord van wat de ander zei. Ik wel dus. Ik verstond van de Japanner dat hij bezig was over de douche in zijn hotel, die was verkalkt en er kwam maar een piesstraaltje uit en de Engelsman (of Schot want het was een roodharige maar geen reus, daarom twijfel ik) had het over het eten dat hier zo “cheap” was. Dat ander manneke stond meer te brommen. Ik denk dat die gast een asielzoeker was.

Eindelijk, de trein. Ik laat me toch altijd weer vangen. Stond ik weer voor eerste klas. Ik heb het echt wel door hoor : de kortste afstand van de roltrap, daar stopt eerste klas, maar ik laat me toch telkens weer vangen.

Ik repte me naar de wagons van het plebs, de tweede klas, en ik stapte in.

Je moet snel zijn hoor. Dat geval blijft ’s nachts exact 1 minuut stilstaan. De treinbegeleider, zo heet dat tegenwoordig,  fluit exact een halve seconde en de trein trekt op tot 120 in 20 seconden.

That's the nighttrain, babe.

De trein vertrok als een pijl uit een boog. Ik installeerde me knus in een zetel en ik overschouwde de wagon.

Van hetzelfde laken een broek.

Twee zetels voor me zat een vent met zijn voeten op de zetel voor hem een anderhalve literfles met iets als jenever te zuipen. Ik dacht jenever, want het rook straf naar jenever tot twee zetels verder. Een pet voor zijn ogen, tafel en zetel bezaaid met stukken krant en maar hijsen. En boeren. Om de twee slokken een enorme boer. Echt een loeier, boeren zoals een koe balkt. Vortzak.

Het mooie meisje van op het perron zat halfweg te wippen. Ik kon haar blonde haren telkens een eind boven de zetel uit zien wippen.

Helemaal op het einde zaten wel vier, vijf vrouwen. Dicht bij mekaar. Werkmensen zo te zien. Die ene was op het laatste nippertje tussen de sluitende deuren gesprongen en zat nu nog wat na te hijgen en te zweten.

Dat vond ik erg.

Dat van die samentroepende vrouwen. Ze hadden meer ervaring met nachttreinen dan ik, die vrouwen. Ze zochten veiligheid in een cirkel van vrouwen. Zo’n beetje als de cowboys een cirkelvormig kamp maakten tegen de Indianen. Samen sterk tegen die zatte wereld.

En ik zat alleen. Die vrouwen moesten me niet hebben in hun veilige cirkel. De treinbegeleider liet zich niet meer zien. De rest zat te hijsen en te wippen.

Een beetje onwerkelijk reed ik met mijn braaf fietsje naar huis, naar mijn lief. Naar haar warme lijf dat op me lag te wachten. Ik kroop in bed en we krulden ons als lepeltjes. In een cirkel, warm en veilig. Ik brak mijn record. 35 per uur op mijn fietscomputer. Dat is het verschil tussen twee Leffes en drie Leffes.


De echtheid van dit verhaal kan door elke treinbegeleider die 's nachts werkt bevestigd worden.





21:37 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (2) | Email dit |  Facebook |

03-09-04

werk aan de winkel

werk aan de winkel

Ik had vandaag een treinabonnement en een busabonnement nodig voor onze jongste. Die met zijn dreadlocks, ja. Hij heeft niet veel goesting, maar hij moet nog steeds naar school, hij is nog maar zestien. Dreadlocks of geen dreadlocks, naar school moet hij.
Ik had de zaak op voorhand goed bestudeerd op de website van de NMBS en die van De Lijn. Dat is een hele prestatie, één kaart vinden tussen een miljard kaarten van de NMBS. U bent 60? U bent 65? U hebt drie kinderen? U bent student? U hebt maar één been? U bent 65, hebt 1 been, drie kinderen en u studeert weer? Moet kunnen, levenslang leren, weet je wel. Voor u gratis. Zeker weten.
Ik vond een mooie oplossing in een fantastische combinatie van trein en bus in één enkele kaart. Schoolabonnement én Buzzypas in één prijs en het was nog een goeie prijs ook : apart kost zo’n Buzzy 149 euro maar in die combinatie maar 80 euro. Met 69 euro kan je al wat doen hé ! Je kunt daar nondedju veel Leffes mee drinken. Om maar iets te noemen.
Goed. Wij dus naar het station, beetje stressy want we moesten ook nog schoolboeken gaan kopen op de tweedehandsbeurs in zijn school en die sloot om 12 uur.
Aan het loket een wat oudere man en een middelmatig lange rij. Niet echt een nerveuze tiep, die vent. Na een tiental minuutjes leggen we hem ons geval uit. Hij kijkt ons vriendelijk van boven zijn brilletje dat ergens halfweg zijn neus hangt aan, bestudeert wat langer de dreads en besluit na enige tijd met “nooit van gehoord hoor”. “Julien”, vraagt hij aan zijn collega wat verderop, “hebt gij al gehoord van een combinatie met Buzzy”? “Wat is dat, Buzzy ?”, antwoordt Julien. “Ge gaat hier uw abonnement voor de trein moeten kopen en dan in de Lijnwinkel uwe Buzy”, zegt hij. Wij kopen dus een treinabonnement.
Net buiten het station is er een kiosk van De Lijn, dus wij daar naar toe. Een reusachtige vrouw in een wit hemd zit er in een klein hokje geperst. Ze kan nauwelijks ademen. Ik vrees dat de ramen zouden barsten, als ze diep zou uitademen. Een combinatie met een treinkaart? Dat kan, wat haar betreft, voor 149 euro. Daar gaan mijn Leffes.
Ik vertel haar dat de prijs op internet staat en dat het maar 80 euro is.”Wel, daar heb ik nog nooit iets van gehoord”, zegt ze. “Ik heb hier ook geen internet, hé”, zegt ze en ze kijkt speurend rond in haar hok. Dan kijkt ze me onverzettelijk aan. Aan haar woord valt niet te twijfelen. Maar misschien weten ze iets meer in de hoofdwinkel van De Lijn in het centrum van de stad. Zij kan mij spijtig genoeg niet verder helpen, zegt ze en ze sluit demonstratief haar loket. Ik blijf nog een minuutje staan kijken hoe ze langzaam blauw wordt. Met zo weinig zuurstof in dat kot en zulke longen zal ze het niet lang uitzingen.
Maar ik heb een goed karakter. Ik vertrek dan maar naar het centrum. Zes hartstilstanden en vier moordpogingen later (met de fiets door het centrum) ben ik ter plaatse. Een combinatie met een Buzzypass, natuurlijk kan dat! Een knappe vent in een wit hemd lacht zijn parelwitte tanden bloot. Waren hun bussen maar zo proper als die vent. “Je moet dat gewoon aanvragen in het station. Daar alleen kunnen ze die kaart uitreiken”.
Het sujet voor wie deze kaart bedoeld is, schudt meewarig zijn dreads bij zoveel volwassen wereld ineens. Hij stapt gewillig op om weer naar het station te rijden.
We zijn verplicht om weer naar dezelfde vent aan het loket te gaan : alle andere rijen zijn immens. Ik doe hem mijn verhaal en hij krabt eens in zijn haar, haalt stapels dikke boeken boven. Zegt na tien minuten “aha”, tikt wat in op zijn computer. Draait zich volop naar mij toe, zijn bril nu helemaal op het puntje van zijn neus. “Heb je een pasfoto mee van da manneke? ”, vraagt hij, triomfantelijk wijzend naar zijn dreads. Ha manneke, daar had ik mij op voorzien, ik heb er nondedju vier mee. Mét dreads. Voor het geval dat zijn haartooi te veel zou veranderd zijn om nog gelijkenissen met de betreffende persoon te vertonen. Mij gaat ge daar niet op pakken, hoor.
Hij bromt iets en draait zich weer naar zijn computer, geeft daar een paar opdrachten. Zijn printer maakt een vreselijk lawaai. “Julien, kan je me helpen? Der komt hier niets uit jong”. Julien komt erbij en samen demonteren ze de printer. Uiteindelijk legt hij een afdruk voor mij, tussen onze identiteitskaarten, pasfoto’s, aanvraagformulieren in.
“Hier tekenen”, zegt hij, en hij zet een kruisje. Ik teken, ik betaal (het verschil, want ik had al een treinkaart) en ik ben de trotse eigenaar van een combinatie Schoolabonnement en Buzzypass en een aanzienlijk aantal Leffes. The man with the dreads zijn ogen glinsteren. I love him. This was fun. Welke minister ging dat allemaal eenvoudiger maken, die administratie?

Er is nog werk aan de winkel.









14:36 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

ook dood

ook dood

Vanavond zit ik op mijn dooie gemak een computermagazine te lezen op de trein van half vijf. Mijn rugzak staat naast me op de zetel. Er is plaats zat op de trein. Komt daar nondedju een koppel met valiezen de trein opgestommeld. Dat vrouwmens stopt voor mijn zetel. Die vent hijst daar een stapel valiezen in het bagagerek. Ploft zich totaal uitgeput voor me. Dat vrouwmens staat me daar demonstratief aan te kijken, zo van kan die rugzak hier even weg? Ik neem de rugzak bij me op mijn schoot, allerlei pogingen ondernemend om mijn magazine verder te lezen. Met je armen bovenop een rugzak de finesses van Windows XP doornemen, leuk hoor. Ze wringt zich naast me met haar vette kont. Die vent van haar, hij druipt van het zweet van het valiezen sleuren, wie weet van hoe ver komt hij, de sukkel, zet zich tegenover me. Zij plaatst demonstratief een rugzak op de vrijgekomen zetel. Ze kijkt me van opzij recht in mijn ogen. Ik doe mijn “al-wat-oudere-computer-nerd-look”. Mond lichtjes geopend, op en neer kijkend van mijn waanzinnig boeiend, vreselijk moeilijk artikel, een heel klein beetje kwijlen mag. Als je dit staande doet, moet je wat wippen van het ene been op het andere, da’s zeer overtuigend. Ze kijkt gegarandeerd niet meer naar me voor de rest van de reis. Maar ze stinkt! Dat mens stinkt! Ik kan me niet meer concentreren op mijn artikel over de diepste geheimen van Windows XP. Die walm verhindert me het verder lezen. Is het haar mond? Nee, die is krampachtig in een streep gesloten. Haar voeten? Die zijn stevig verpakt in kolossale schoenen. Wat een poten! Haar oksels? Daar zitten vier lagen kleren boven. Ik raak er niet aan uit. Geen typische zweetgeur, geen tenenschimmel, geen gynaecologisch probleem, ik ken echt nogal wat vrouwengeurtjes. Het is een nieuwe stank, ik heb iets zo weerzinwekkend nog nooit geroken. Misschien heeft dat wijf een lijkgeur, bedenk ik gaandeweg. Ze is al dood en ze weet het niet. En die vent, hij snuift niet zoals ik, hij ruikt al lang niets meer, zijn neus is dood, hij zit daar te zweten, de sukkel, en naar buiten te staren. Afwezig. Ook dood. Jezus. Have fun. Ben ik blij dat ik naar huis mag naar mijn eigen vrouwtje. Zij ruikt naar lekkere dingen. Zij ruikt naar aarde, naar groen, naar goed leven. Naar blijgezind genieten van het leven. Go home, jaco, go home. Ik zal weer een record rijden met mijn fiets.









14:35 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (3) | Email dit |  Facebook |

Alle berichten