31-01-05
The goose is loose…

Een maand of twee geleden stapte ik in Gent op de trein, richting Brugge.
Het was nog aardedonker.
Dat zijn voor mij de moeilijkste dagen van het jaar :
wanneer ik om zeven uur ’s morgens in het donker moet gaan werken.
Het voelde alsof het nog midden in de nacht was.
Ik installeerde mij op mijn gemak in de duistere wagon.
Om de één of andere reden deed de verlichting het niet.
Een krant lezen zat er dus niet in.
Ik keek dan maar wat door het raam.
De trein stond nog wat te brommen.
We hadden al vijf minuten vertraging.
De treinbestuurder had zijn boterhammen vergeten.
Ja, dat kan gebeuren, hé.
“Julien, haal een keer rap een Panoske”, had ik hem door zijn opengeschoven zijraam horen roepen.
Julien, mijn favoriete NMBS-beambte, in grijze stofjas, was sloffend naar beneden vertrokken.
Nu moesten wij wachten op Julien.
A ja.
Julien is niet meer van de rapste.
Nog een jaar sloffen en hij gaat op pensioen.
De twee treinbegeleiders, een man en een vrouw, stonden gezellig te keuvelen op het perron.
De hemel boven Gent werd paars.
De torens van Gent tekenden zich af tegen een adembenemende achtergrond.
Het was een schilderij, mensen.
Zó mooi!
De opkomende zon boven Gent : je moet het een keer gezien hebben in je leven!
Ik hoopte dat Julien nog een tijdje zou moeten aanschuiven voor dat broodje.
Een man kwam hijgend aangelopen op het perron.
Gejaagd vroeg hij iets aan de treinbegeleiders.
Die wezen hem de open deur van mijn wagon.
Daarna keuvelden ze gezellig verder.
De man stapte op en kwam voor mij zitten.
Ik bekeek hem verwonderd.
Hij was van kop tot teen in het groen gekleed.
Hij droeg groene rubberen laarzen, een groene jas en een kaki legerbroek.
In zijn zog sleurde hij een kanjer van een statief en een telescoop mee.
Die waren ook verpakt in camouflagekleuren.
“Ha!”, dacht ik, “een vogelaar!”
De man zat nog wat na te hijgen.
Ik zat in een interne tweestrijd.
Sommige van die groene jongens kunnen zó fanatiek zijn!
Ik kan daar niet goed tegen.
Van fundamentalisten moet ik niets weten.
Andere groene rukkers, daarentegen, zijn best sympathieke mensen!
Ik besloot hem vriendelijk aan te pakken.
Eens kijken welk vlees ik in de kuip had.
Ik stak mijn hand uit en stelde mezelf voor.
“Aangenaam, Jacoja, met zo veel woorden in zijn hoofd”, zei ik.
Hij schudde mij lachend de hand.
“Mark, Natuurpunt”, zei hij.
Nu ben ik zelf óók lid van Natuurpunt, maar ik besloot dat niet aan zijn neus te hangen.
“Zo, Mark, jij gaat vandaag vogelen”, gooide ik een visje.
Hij grijnsde.
“Ik ga aalscholvers tellen, Jacoja, in de haven van Zeebrugge”, antwoordde hij.
Bij deze woorden vertrok de trein eindelijk.
De twee treinbegeleiders stonden nu gezellig te keuvelen in de gang.
We passeerden Julien.
Hij stond op het perron op zijn gemak een broodje te knabbelen.
Hij had een zalige uitdrukking op zijn gezicht.
Even buiten Gent stopte de trein al weer.
“Subiet rijdt die treinbestuurder achteruit en moet hij nóg een broodje hebben”, dacht ik.
We stonden net voor de brug van Drongen.
“Daar beneden, Mark, zie je die oude arm van de Leie?”, wees ik naast de brug.
“Een machtig snoekwater”, vervolgde ik.
“Snoeken van acht kilo!”, toonde ik met mijn armen wijd.
“Ha!”, zei Mark, “het snoekseizoen is nog open tot nieuwjaar!
Een goed idee, Jacoja, ik ga daar volgende week eens een poging doen!”
Ik ontspande me.
Mark was geen fanatieker.
Integendeel! Natuurpunter én snoekvisser!
Hij had de test met glans doorstaan.
Mark was een man naar mijn hart!
“Je gaat me toch niet vertellen dat je voor je job aalscholvers gaat tellen”, vroeg ik benieuwd.
“Toch wel”, zei Mark grijnzend.
“Ik ben bioloog van opleiding en ik werk voor een afdeling van Natuurpunt”, vertelde Mark.
“Die aalscholvers zijn in de laatste jaren zó toegenomen, Jacoja, je kunt dat niet geloven.
We moeten die beesten van nabij volgen of er gebeuren straks rampen”, vervolgde hij.
“Schone job”, dacht ik, een tikkeltje jaloers, “zo wat in de natuur gaan rondstruinen en vogels tellen”.
“Aalscholvers kan je nog gemakkelijk tellen, ze zijn nooit echt met véél”, zei Mark.
“Grote groepen, zoals kievieten, daarentegen, zijn wel lastig”, vertelde hij verder.
“Dat is Wiskunde, hé, Mark”, merkte ik op.
“Het schatten van grote hoeveelheden, doel zes in ons handboek”, lachte ik.
We stonden nog steeds stil voor de brug.
Op dat moment werd mijn aandacht getrokken door een hels lawaai.
We keken naar buiten.
Een enorme vlucht lawaaierige ganzen kwam aangevlogen uit het ochtendrood, onze trein tegemoet.
Mark en ik, we zaten genietend te kijken naar het machtige schouwspel.
“Canadese ganzen”, zei Mark zacht, “tweeënveertig stuks”.
“Ze zijn onovertroffen”, antwoordde ik.
“Ja, voor een stelletje exoten doen ze het zeker niet slecht”, zei Mark lachend.
“Krijgen ze inburgeringlessen misschien?”, grapte ik.
“Stelletje illegalen! Nederlands leren!”, riep ik de ganzen na en ik stak mijn vuist op.
Ze kwaakten eens luid.
Of het Nederlands was, kon ik niet meteen uitmaken.
De trein vervolgde eindelijk zijn weg.
Mark vertelde me over Canadese ganzen, aalscholvers en andere exoten.
“Geen kwaad woord over de Canadezen!”, waarschuwde ik hem.
Die vogels hebben namelijk ondertussen mijn hart gestolen.
Elke avond vliegen ze boven mijn huis, midden in de stad.
Een vlucht van wel zestig wilde ganzen.
Mijn vrouwtje en ik, wij staan elke avond op de uitkijk.
We zouden dat voor geen geld meer willen missen!
“Alle Canadese ganzen in Vlaanderen zijn nakomelingen van ontsnapte dieren”, vertelde Mark.
“Ze zijn bijzonder mooi, maar ook wel erg agressief. Ze verjagen andere vogels en ze vreten alles op.
Sommige soorten kunnen daardoor zelfs uitsterven.
Weet je dat ze bijna een kilo uitwerpselen per dag produceren?”, vroeg Mark.
“Oeps”, lachte ik, “er zitten er vijfhonderd in de Ossenmeersen”.
“Dat is vijfhonderd kilo per dag, afgerond tweehonderd ton shit per jaar!”, vertelde Mark serieus.
“En ze kweken als konijnen”, zuchtte hij.
“Ze afknallen kan je niet écht doen, zeker”, vroeg ik voorzichtig.
“Nee, in een natuurgebied kan je dat niet maken, dat zou zeldzame soorten verschrikken”, antwoordde Mark.
“Maar wij hebben een eenvoudige oplossing gevonden : in het voorjaar schudden wij hun eieren.
Dan komen er geen jongen meer van”, vertelde Mark.
“Vorig jaar hebben we duizend driehonderd eieren geschud in de Ossenmeersen”.
“Ook een mooie job, een weekje “eieren schudden” “, lachte ik.
“Ja”, zei Mark, “en die beesten vallen je dus aan, hé!”
Mark was een sympathieke Natuurpunter.
Hij had een gezonde visie op natuur in Vlaanderen.
“Aankopen, nondedju! En dan met rust laten, die restjes natuur”, was zijn devies.
De hele treinreis discussieerden we over natuurbeheer.
Ik werd met de minuut méér fan van Natuurpunt.
We schepten op over onze grootste snoek.
We waren verwonderd over het aanpassingsgedrag van de ekster.
We waren akkoord dat de Canadese gans toch wel een mooier beest was dan onze inheemse slijkeenden.
“Geen racisme, ook niet onder de beesten!”, riep ik.
We besloten eensgezind dat de fazant toch wel de lekkerste exoot in Vlaanderen was.
In Brugge stapte ik uit.
We namen afscheid.
We wisselden telefoonnummers uit.
“Het ga je goed, Mark, ik wens je een vruchtbare aalscholvertelling”, zei ik, een beetje jaloers.
Mark keek me aan en lachte.
“Volgende keer bel ik je op, Jacoja.
Dan kan je een dagje verlof nemen en eens helpen tellen”, zei hij.
“Ik zou constant mis tellen en moeten herbeginnen”, lachte ik.
Toen ik op de bus stond te wachten, vlogen er zwermen meeuwen boven het station.
Op weg naar de zee.
Ik telde ze even rap na : twee duizend zeshonderd en twee.
“Dat vliegt maar en dat vliegt maar”, mijmerde ik jaloers.
De laatste meeuw petste een witgroene meeuwenstront op de voorruit van de bus.
“En dat schijt maar en dat schijt maar”, dacht ik hoofdschuddend.
20:31
Gepost door jacoja
Permalink
| Commentaren (8)
| Email dit
|
Facebook
|
29-01-05
Dromen.
Rond vier uur deze morgen schrok ik wakker uit een droom.
Ik droomde dat ik de trein nam naar Brugge.
Het leven was weer normaal : ik ging voor de eerste keer weer gaan werken.
Ik had geen rugpijn, geen nekpijn, geen hoofdpijn en geen maagpijn meer.
Ik voelde me zonder meer supersterk.
“Kom maar op, wereld”, dacht ik.
Ik haalde mijn thermos uit mijn rugzak.
Ik zwierde de rugzak in een vloeiende beweging in het bagagerek.
“Wij gaan er weer tegen aan, hé, makker!”, sprak ik de thermos toe.
De thermos antwoordde : “Rock ’n Roll, Jacoja!”
Ja, in dromen kunnen thermossen spreken.
Ik wist dat ook niet, maar het blijkt zo te zijn.
Een man zat met open mond naar mij en mijn thermos te kijken.
Hij zat verstard van angst naar ons te kijken.
“Scheelt er wat, maat?” vroeg ik bars, “heb ik wat van u aan misschien?”
Hij schudde bevend zijn hoofd, te bang om een woord uit te brengen.
Ik ging zitten en bekeek de man eens wat rustiger.
Hij was een jaar of dertig.
Zijn maatpak was vreselijk.
De mouwen waren te kort, dat zag je zo.
Er lagen wat schilfertjes op zijn schouders.
Hij droeg een moderne bril met vieze, vettige glazen.
Op de koop toe was zijn das verkeerd geknoopt.
“Een boekhouder”, besloot ik.
“Het zal nondedju geen waar zijn. Mijn eerste treinrit in máánden en ik zit bij een boekhouder.”
Ik had bijvoorbeeld toch even goed bij een zwangere jonge politica kunnen zitten!
“Rotdroom”, droomde ik.
“Vertel maar”, zei ik tegen de boekhouder.
De man keek me verward aan.
Hij begon al een beetje te zweten op zijn voorhoofd.
Ik wachtte op zijn antwoord en schonk mezelf ondertussen een tas koffie in.
“Allé, komaan, vertel!”, spoorde ik hem aan.
Ongeduldig tikte ik met mijn vingers op het tafeltje.
“Ben ik aan het dromen of wat is dat hier?”, stotterde de man.
“Je bent aan het dromen en ik ook”, antwoordde ik.
“Een die thermos hier is ook aan het dromen en die trein ook”, vervolgde ik.
“Alles en iedereen is nondedju aan het dromen”, riep ik het uit.
“Dus : vertel!”, besloot ik.
De man schudde verward zijn hoofd.
“Ok. Als het zo zit”, zei hij twijfelend.
“Goed, maat. Je gelooft me niet?”, zei ik boos, “kijk goed naar mijn thermos!”.
Ik wees met mijn wijsvinger naar de thermos.
Het ding begon op en neer te wippen op de maat van mijn vinger.
De man begon te lachen.
“Dit is wel leuk, zo samen dromen”, zei hij.
Hij ontspande zich eindelijk.
Ik begon mij ook wat rustiger te voelen.
“Jacoja, met zo veel woorden in zijn hoofd”, stelde ik mezelf voor;
“Dirk”, antwoordde de man verlegen.
“Thermos”, zei mijn thermos.
“Shut up”, zei ik tegen het grijze ding.
“Goed. Dirk, nu moet je het vertellen”, zei ik zacht.
Dirk aarzelde.
“Wel”, zei hij twijfelend.
Hij keek angstig of er nog mensen in de wagon zaten.
De wagon was leeg.
Ik had hem vijf seconden eerder leeg gedroomd.
“Ik kan het niet meer aan”, zei Dirk plots.
“Die smeerlappen zitten daar maar geld in hun zak te draaien”, tierde hij.
“En ik moet dat allemaal recht trekken!”
Hij begon redelijk hysterisch te vloeken.
Vlug liet ik mijn thermos nog wat dansen.
Hij kalmeerde.
“Grote sommen, Dirk?”, vroeg ik.
“Miljaar, Jacoja, je kunt je dat niet voorstellen.
Duizenden euro”, antwoordde Dirk zuchtend.
“Goed. Dirk. Jij bent er tegen je wil in betrokken”, zei ik.
“Jacoja, ik heb geen keuze!”, riep Dirk boos.
“Als ik dit aan de grote klok hang ben ik mijn job kwijt!
Ik kom nooit meer aan ander werk!”, zei hij paniekerig.
“Maar het wringt, hé, Dirk”, zei ik zacht.
“Je kunt dat niet geloven, Jacoja.
Ik ben een eerlijk mens en nu zit ik zo in de miserie”, antwoordde Dirk.
Neerslachtig staarde hij naar mijn thermos.
Ik liet die nog wat wippen om hem op te vrolijken.
We naderden Brugge.
Met een lodderig oog zag ik op de wekker dat het ver vier uur was.
“Ok. Tijd om in de grijpen”, dacht ik in mijn droom.
“Geef mij eens die das, Dirk”, zei ik beslist.
Dirk keek verwonderd, maar hij deed wat ik hem vroeg.
“Er zijn twee dingen die ik in het leger geleerd heb”, zei ik, onverstoord de das ontknopend.
“Eén is : een das knopen met mijn ogen dicht”, zei ik.
De daad bij het woord voegend herknoopte ik zijn das met mijn ogen dicht.
Tevreden bekeek ik het resultaat : een perfecte knoop.
Dirk trok de das weer over zijn hoofd.
Ik trok hem exact op de juiste plaats.
Daarna stofte ik de roosschilfers van zijn schouders.
Ik nam zijn bril van zijn neus en poetste die met mijn zakdoek.
Ik gaf hem zijn bril terug.
“Het tweede wat ik leerde in het leger :
dat je verrekt veel moed en zelfrespect moet hebben om er uit te stappen”, zei ik zacht tegen Dirk.
Dirk rechtte zijn schouders.
Hij keek me aan met een heldere blik.
Hij pakte zijn aktetas.
“Je hebt gelijk, Jacoja. Bedankt.
Ik dien vandaag mijn ontslag in en ik zoek een andere job”, zei hij dapper.
“Jobs genoeg, man. Boekhouders kunnen overal aan de slag”, klopte ik hem op zijn schouder.
Ik nam mijn rugzak en wipte er met mijn wijsvinger de thermos in.
Dirk lachte stralend.
“Is die thermos niet te koop, Jacoja?”, vroeg hij hoopvol.
“Goed geprobeerd, boekhoudertje”, riep ik, “maar de thermos van Jacoja is niet te koop!”
Deze zin uitroepend schrok ik wakker.
Mijn vrouwtje lag me aan te kijken.
“Een zware droom, Jacoja?”, vroeg ze.
“Mmm”, knorde ik slaperig, “het komt wel goed”.
Ze kroop dicht tegen me aan en ik viel weer in slaap.
Ergens anders in dit landje schrok een boekhouder wakker.
Zijn vrouwtje lag hem aan te kijken.
“Vandaag, vrouwtje”, zei hij beslist, “zoek ik ander werk. Eerlijk werk”.
“Ik ben blij, Dirk”, zei ze en ze vielen weer in slaap.
19:39
Gepost door jacoja
Permalink
| Commentaren (9)
| Email dit
|
Facebook
|
27-01-05
Sneeuw
Het sneeuwt in mijn hoofd.
De woorden in mijn hoofd dwarrelen als sneeuwvlokken.
Traag wiegen ze zich een weg naar mijn gedachten.
“Ja, ’t is al goed zeker?”
Daar is de stem van Jacoja weer.
“Nondedju, Jacoja, het was nu nét eens lekker aan het sneeuwen in mijn hoofd.
Moet jij daar dan altijd tussen komen?”, denk ik tegen mezelf.
“Met sneeuw in je hoofd kom je nergens”, denkt Jacoja.
“Schrijven, nondedju!”, galmt hij in mijn hoofd.
“Komaan, hup! We gaan hier eens wat sneeuw ruimen, in dat hoofd!”, roept hij.
“Ja ja, ’t is al goed”, zucht ik.
Ik word soms zo moé van die Jacoja in mijn hoofd.
Een boelzoeker!
Je kunt dat niet geloven.
Ik zal maar weer schrijven, zodat hij zwijgt.
Nu we het toch over sneeuw hebben, ik zal jullie eens een sneeuwverhaal vertellen.
Het was eind december, 1985.
Het was een maandag, de voorlaatste dag van het jaar.
Ik was toen nog een idealistische zot.
Ik moest voor mijn werk naar Brussel.
Feestdagen of geen feestdagen : vergaderen.
“Mmm”, dacht ik, “weer een hele dag emmeren en leuteren”.
Ik stond op het perron in Brugge te wachten op de trein.
Het begon licht te sneeuwen.
Vrijwel niemand werkte die dag.
Ik stond daar met vier man en een paardenkop te wachten.
De trein had al een kwartier vertraging.
Een oude man kwam bij me staan.
Neen, niet de paardenkop.
Een gezette, oude man met een hoed op.
Hij rookte een pijp.
Hij stampvoette tegen de kou.
“We gaan er van krijgen, vandaag”, zei hij.
Hij keek daarbij taxerend naar de wolken.
“Het gaat sneeuwen dat het geen naam heeft”, zei hij.
“Een kenner”, dacht ik, “we gaan hem eens testen!”
“Aan wat zie je dat?”, vroeg ik, speurend in de lucht.
“Nu gaan we wat gaan horen!”, dacht ik.
“Waarschijnlijk een gepensioneerde boer die gisteravond naar zijn koeien gekeken heeft.
Ze stonden allemaal met hun gat naar de wind of zo”, lachte ik in mezelf.
Hij lurkte nadenkend aan zijn pijp.
“Kijk”, zei hij.
Hij wees met zijn pijp naar een grijze wolk.
“Aan de bovenkant van die gigantische wolk zie je een soort aambeeld.
Daar is het tussen de twintig en de vijftig graden onder nul”, vertelde hij.
Hij sabbelde op zijn gemak op zijn pijp.
Ik bekeek het aambeeld eens.
“Schoon aambeeldje”, dacht ik.
We hadden toch alle tijd : er was nóg een half uur vertraging omgeroepen.
“Dat aambeeld bestaat uit kleine sneeuwkristallen”, vervolgde hij.
“Wanneer die gaan vallen, gaan ze aan mekaar vast zitten.
Is het nu in de rest van die wolk zo rond de min zes graden, dan krijgen we sneeuw.
Anders natte sneeuw, of ijsnaaldjes”, mompelde hij met zijn pijp in zijn mond.
“ ’t Is nondedju een échte kenner”, dacht ik bewonderend.
“Hoe weet je dat het niet gaat hagelen?”, vroeg ik.
“Ik heb genoeg ervaring, meneer”, hij keek me ernstig aan,
“om te zeggen dat de temperatuur in die wolk exact min zes graden is.
Ik zie dat aan het kleur van de wolk.”
“We krijgen dus vandaag tien tot vijftien centimeter sneeuw”, besloot hij.
“Aangenaam, Jaco is mijn naam”, stelde ik mezelf voor.
De man schudde mijn uitgestoken hand.
“Pol”, zei hij.
Het begon inderdaad harder te sneeuwen.
Er vormde zich een laagje sneeuw op zijn hoed.
“De temperatuur draait momenteel rond het vriespunt”, zei Pol.
“Dat is ideaal voor de écht grote sneeuwvlokken”.
Een kanjer van een sneeuwvlok viel sissend in de kop van zijn pijp.
Hij keek beteuterd naar zijn pijp.
“Krijg dát maar weer in gang, in dit weer!”, riep ik lachend.
“Kom, Pol”, zei ik, “we gaan een tas koffie drinken in het buffet”.
“Die trein zal hier nog niet subiet aankomen”, wees ik op het bord.
Er was nog eens dertig minuten vertraging bijgekomen.
Pol vertelde dat hij op pensioen was.
Hij had heel zijn leven in het KMI gewerkt in Ukkel.
Het “Koninklijk Meteorologisch Instituut”.
Al van 1945!
Hij had op het einde van de oorlog nog samengewerkt met de Engelse R.A.F.!
Pol was een persoonlijke vriend van Armand Pien.
Hij werkte nu nog in het KMI als vrijwilliger.
De man was een pijprokende encyclopedie van het weer.
Ik hing aan zijn lippen!
We dronken gezellig een kop koffie.
“Ah”, dacht ik, “als je ze zo kan verdienen”.
Pol was waarlijk bezéten van sneeuw en hagel.
“Als je die wolken goed bekijkt”, vertelde hij, “dan zie je soms aan de onderkant van de wolk een horizontale lijn.
Dat is de smeltlijn. Hangt daar een soort gordijn onder, dan zal het niet sneeuwen, maar hagelen.
De grootste gevonden hagelsteen woog iets meer dan één kilo.
Hij viel in Bangladesh op 14 april 1968”.
“Ja, merci”, zei ik, “een hagelsteentje van een kilo, krijg dat op je dak!”
Een tijd lang zaten we stil naar buiten te kijken.
Elk met onze eigen gedachten.
Een enorme massa sneeuw kwam naar beneden.
“Ja, Jaco”, zei Pol, nadenkend grote rookwolken blazend.
“Sedert mijn vrouw gestorven is ben ik alleen nog met studeren bezig”, zei hij.
“Mijn boeken zijn mijn vrienden”, fluisterde hij.
“En mijn wekelijkse uitstap naar het KMI is een hoogdag”, vervolgde hij stil.
“Alleen is maar alleen is maar alleen, Pol”, zei ik spijtig.
“Ja, Jaco, je hebt gelijk”, zei Pol en hij tikte zijn pijp uit in de asbak.
“We gaan vandaag niet meer in Brussel geraken”, wees ik op de dichte sneeuw buiten.
“Als we niet opletten zitten we hier straks ingesneeuwd!”, lachte Pol.
Ik keek eens op de menukaart.
“Ze hebben hier Leffe, Pol”, zei ik langs mijn neus weg.
“Bruin of blond?”, antwoordde Pol en hij wenkte een dienster.
De rest van de dag dronken we op ons gemak Leffe, Pol en ik.
Daar, in het buffet van het station van Brugge, onder het schilderij van Delvaux.
Langzaam sneeuwden we in.
Het kon ons niet schelen.
Pol vertelde zijn leven en ik vertelde het mijne.
Tegen de avond bestelde Pol een taxi.
“Dag Jaco”, zei hij, “het was een mooie dag”.
“Bedankt, Pol, voor je schone verhalen”, antwoordde ik.
Pol verdween met een taxi uit mijn leven.
Ik ging te voet naar huis, door de sneeuwstorm.
De witte wereld was mooi.
Er lag inderdaad al een pak van vijftien centimeter hoog.
19:48
Gepost door jacoja
Permalink
| Commentaren (5)
| Email dit
|
Facebook
|
26-01-05
Tcha.
“Schrijf jij maar een cursiefje!”
“Hup!”, wees ze naar mijn computer.
“Ja, vrouwtje”, antwoordde ik braaf.
“Ventje, later, als je groot bent, moet je doen wat je vrouwtje zegt!”, zei mijn grootvader altijd.
“En altijd doen wat je grootvader zegt!”, vervolgde hij.
“En vooral altijd doen wat het vrouwtje van je grootvader zegt!”, zei hij streng.
“Ja, pépé”, zei ik dan en vervolgens deed ik vierkant mijn goesting.
A ja!
Hij zei ook altijd “Je moet nondedju vierkant je goesting doen”!
Hij sloeg wat uit zijn botten, mijn pépé!
Voila.
Die eerste zinnen, mensen, dat waren weer de moeilijkste.
Eens die op het scherm stonden moest ik enkel nog een onderwerp bedenken.
Ik dacht eens diep na.
Na een kwartier naar het plafond staren riep ik : “Ik zal schrijven over treinen!”
“Good idea!”, klonk de stem van Jacoja in mijn hoofd.
“Shut the fuck up!”, legde ik hem het zwijgen op.
Daarna sufte ik nog een kwartier verder.
“Treinen, treinen, treinen,…”, dacht ik.
“What the fuck heb ik nú nog over treinen te vertellen?”, panikeerde ik vervolgens.
Heden morgen schoot me dan toch weer een verhaal te binnen.
Een mooi, waar gebeurd verhaal.
Content, dat ik was!
Ja, sommige cursiefjes zijn meer waar gebeurd dan andere, dat geef ik toe.
Dit verhaal heeft een zeer hoog waarheidsgehalte.
Allé, daar gaan we.
Het zal toch al een jaar of vijftien geleden zijn.
De tijd dat ik nog “Jaco” heette.
Ik moest weer naar één of andere vergadering in Brussel.
Ik stapte op de trein in Brugge.
“Joepie! Weer een hele dag geleuter aanhoren”, dacht ik vrolijk.
De trein was nog maar een paar minuten vertrokken.
Ik keek eens rond me.
De wagon zat afgeladen vol met zuurkijkende mensen.
Die moesten waarschijnlijk allemaal tegen hun goesting ergens naar een vergadering.
Ik keek ook wat zuur, kwestie van niet op te vallen.
Ik trok een gezicht alsof ik net een citroen binnengespeeld had.
Een man met lange haren en een zwarte leren jas kwam de wagon binnen.
Hij droeg een donkere zonnebril.
Hij floot een aangenaam deuntje.
“Stoer manneke!”, dacht ik.
Hij had een vioolkist bij.
Hij voelde met zijn vrije hand voor zich in de lucht.
De man was blind.
“Is er hier nog plaats voor mijn vioolkist”, vroeg hij aan niemand en iedereen.
Iedereen zweeg en bleef zuur voor zich uitkijken.
De zuurtegraad in die wagon zat vér boven de standaardwaarden!
Ik keek de anderen nog eens ferm met mijn citroenensmoel aan.
Ze konden er niet mee lachen.
Ik stond op en nam zijn hand.
“Hier, maat, hier is er plaats”, wees ik hem een plaats voor zijn kistje.
Hij legde fluitend de vioolkist neer.
Ik ging weer zitten.
“Speciale kerel, komt hier zo blind fluitend de wagon binnen…”, dacht ik waarderend.
Op de tast opende hij de sloten van de vioolkist.
Hij haalde er een machtig mooie, zeer oude viool uit.
“Miljaar”, zei ik, “is dat een Stradivarius?”
“Nee, zot. Het is een “Joseph en Antonius Gagliano, Napels Italië, 1771.
Ook al een kostbaar beestje. Familiebezit”, zei hij kortaf.
Hij ging in het midden van het gangpad staan.
Hij zette de viool aan zijn schouder.
“Dames en heren!”, riep hij met luide stem, “Tcha zal voor u spelen!”
Tcha begon viool te spelen alsof zijn leven er van af hing.
Opzwepende zigeunermuziek klonk door de wagon.
Na het eerste nummer begonnen enkele mensen aarzelend te applaudisseren.
Vervolgens speelde Tcha een klagend, door merg en been gaand stuk.
Ik werd er helemaal weemoedig van.
Hier en daar in de wagon werd een traantje weggepinkt.
Na dit fabuleus mooie nummer kreeg hij een staande ovatie.
Weg, zuurtegraad!
De volgende nummers waren erg vrolijk.
Iedereen lachte.
Iedereen was welgezind.
Vergadering of niet, de mensen vonden het leven weer mooi.
Of muziek nu waarlijk de zeden verzacht, ik weet het niet.
Muziek verzacht in elke geval de zure gezichten, dat heb ik gezién.
Tcha kwam naast me zitten.
“Machtig mooi, man”, sprak ik hem aan.
“Mag ik me voorstellen, Jaco”, zei ik.
“Aangenaam, Tcha Limberger, zoon van Vivi Limberger”, antwoordde hij.
“Toch niet Vivi, van de Hobbit, dat cafeetje in Brugge?”, stamelde ik verbaasd.
“Juist, Vivi, Albert eigenlijk, is mijn vader”, zei Tcha.
Mijn frank viel.
(Merk op : mijn “frank”! Toen vielen er nog franks, nu vallen er van die onnozele centen!)
“Maar Albert heeft les gevolgd bij mij!”, riep ik.
“De wereld is klein, hé”, grijnsde Tcha.
“Je papa was trots op je, Tcha”, zei ik.
“Hij vertelde me dat je blind was en dat je veertig instrumenten speelde toen je tien jaar was”, vertelde ik.
“Zestig, ondertussen”, lachte Tcha.
“Hij vertelde me de geschiedenis van je familie”, vervolgde ik.
“Moustache-zigeuners of zoiets”, probeerde ik me te herinneren.
Tcha lachte luid.
“ ‘Manouche’zigeuners, Jaco! Manouche!”, legde hij uit.
“Zestig jaar geleden richtte Piotto Limberger, mijn grootvader, zijn broer Latcheben Grünholz en zijn neef Baboula Ferret “de Piotto's” op.
Ze trokken met hun woonwagens door heel Europa en leefden van hun muziek.
Een tijdlang hadden ze ook een circus, met twee leeuwen, enkele slangen en een aap.”, vertelde Tcha enthousiast.
“Wij zetten die traditie verder”, vervolgde hij.
“Allé, die leeuwen en die aap hebben we achterwege gelaten”, lachte hij.
“Ik ga nog wat spelen”, zei Tcha en hij sprong recht.
Tot in Gent speelde Tcha virtuoos het ene nummer na het andere.
In Gent maakte Tcha zich klaar om af te stappen.
Hij legde zijn viool liefdevol weer in het kistje.
“Pa was je dankbaar, voor je lessen, Jaco”, zei hij fluisterend.
“Doe hem de groeten”, zei ik.
“So long, folks”, riep hij naar iedereen.
De mensen zwaaiden naar hem door het raam.
Tcha kon hen niet zien.
Hij verdween, tastend met zijn witte stok, richting uitgang.
Ik heb Tcha sedertdien diverse keren zien optreden.
Met zijn pa of met zijn eigen band, het “Tcha Limberger Quartet”.
Hij is en blijft grandioos.
Mocht je de kans krijgen om hem bezig te zien, twijfel niet.
Je zal het je niet beklagen!
(*) Tcha heeft een Cd uit : 'Gipsy Passion'. Hij werd geproducet door Fapy Lafertin (die nog bij vader Piotti gespeeld heeft en in de jaren tachtig Waso oprichtte) en hij werd uitgegeven bij het Brugse platenlabel Parsifal.
Hup! Naar de winkel!
19:46
Gepost door jacoja
Permalink
| Commentaren (13)
| Email dit
|
Facebook
|
Inanis verborum torrens
18:16
Gepost door jacoja
Permalink
| Commentaren (4)
| Email dit
|
Facebook
|
25-01-05
Choen
Een maand of twee geleden stapte ik in Gent op de trein naar Brugge.
Ik had het mooie vooruitzicht te mogen gaan werken.
Ik voelde me fris en uitgerust.
“Mmm”, dacht ik, “ik ga vandaag eens les geven dat het geen naam heeft”.
Ik had er ongelooflijk zin in.
Shit, ik mis mijn werk!
Wie had dat kunnen denken?
Kap mijn beide pinken af in ruil voor die rugpijn.
Ik ben subiet akkoord.
Laat mij weer gaan werken, alstublieft!
Welgezind zocht ik een plaats in de wagon.
Tegenover me zat een vrouw van rond de dertig.
Een knappe, andersgepigmenteerde vrouw.
Ik rommelde wat in mijn rugzak en haalde mijn beroemde thermos boven.
Ze lachte een mooie, stralende lach.
Ik was op slag nóg welgezinder!
“Lekker! Een kopje koffie!”, zei ze met een schattig accent.
“Mag ik u een kopje aanbieden, mevrouw”, zei ik beleefd.
“Graag”, zei ze, “dat zou me wel smaken!”
Ik haalde een tweede tas uit mijn rugzak.
Ik heb die speciaal bij, voor dat soort gevallen.
“Een voorbereid man is er twee waard”, zei mijn grootvader altijd.
“Aangenaam, Jacoja, met zo veel woorden in zijn hoofd”, stelde ik mezelf netjes voor;
“Aangenaam, Choen. Amai, die koffie ruikt lekker!”, zei de vrouw.
We schudden handen, waarbij ik een ferme plas koffie morste op mijn broek.
Ik keek beteuterd naar de enorme vlek op mijn broek.
“Shit”, dacht ik, “daar moet ik straks nog les mee geven!”
Choen gaf me wat papieren zakdoekjes.
Daarmee kon ik de zaak toch een beetje onder controle krijgen.
Het was daar een kliederboel, je kunt dat niet geloven.
Ik moest de halve wagon dweilen met die zakdoekjes!
“Wel, Choen, ben jij een Filippijnse?”, nam ik hijgend de draad weer op.
Ze keek me aan met van die glimmende, slimme oogjes.
“Mis, Jacoja”, zei ze lachend.
“Je mag drie keer raden”, vervolgde ze.
Ik ben zot van raadspelletjes.
Ik dacht eens goed na.
Bruin velletje, zwart, sluik lang haar, klein van gestalte…
“Thailand”, riep ik.
“Fout, Jacoja”, zei ze, “nog één kans”.
“Nondedju”, dacht ik, “wat ligt er ginder nog allemaal van landen?”
Ik dacht diep na.
Ik kwam bijna niet meer bij van na te denken!
Choen zat me verwachtingsvol aan te kijken.
“Vietnam kan niet”, dacht ik, “maar ik zit wel in de buurt”.
De trein stopte in Aalter.
“Subiet zijn we in Brugge en weet ik het nog niet”, dacht ik.
“Geef me een tip, Choen”, smeekte ik.
“Ok”, antwoordde ze, “er is een zeer bekende film over mijn land”.
Er daagde iets in mijn brein.
“Toch niet dié film”, dacht ik paniekerig.
“Cambodja?”, fluisterde ik vragend.
“Heel goed, Jacoja”, zei Choen.
“Euh, Choen, hoe ben je hier terecht gekomen?”, vroeg ik wat verlegen.
“Dat is een heel verhaal, Jacoja”, antwoordde ze.
Ze staarde droevig naar buiten.
Ze slikte.
Ze begon te vertellen.
“Je hebt die film wel gezien, hé : Killing Fields?”, vroeg ze.
Ik knikte bevestigend.
“Wel, ik heb dat allemaal meegemaakt”, zei ze.
Ik staarde haar aan. Ik kon geen woord uitbrengen.
“Toen ik tien jaar was, zat ik in een concentratiekamp”, vervolgde ze.
“Pol Pot, die smeerlap van de Rode Khmer!”.
Choen spuwde deze woorden kwaad uit.
“Ik heb daar twee jaar gezeten”, vertelde ze verder.
“Twee jaar met nauwelijks wat te eten. Ik werd gemarteld.
Om de week minstens één executie, kan jij je dat voorstellen?”, vroeg ze triestig.
“Ik zal je de details besparen.
Ik kan daar trouwens nog steeds niet goed over praten.
En zeker niet in het Nederlands.
Na twee jaar ben ik ontsnapt uit dat kamp en via allerlei wegen hier in België beland”, besloot ze.
Ik was even totaal uit mijn lood.
Een kind van tien jaar voor twee jaar opsluiten en martelen!
Op je dertien heel alleen uit een dictatuur “ontsnappen”?
Toen ik dertien jaar was speelde ik nog met de blokken!
Onbeholpen bevend schonk ik de rest van mijn koffie in haar tas.
“Het is hier goed, Jacoja, in jouw land”, zei ze.
Ze keek me ernstig in de ogen.
“De mensen hebben hier álles!”, sprak ze ongelovig.
“Ik ben hier getrouwd met een lieve man en ik heb twee kindjes.
Ik ga nooit meer terug naar Cambodja.
“Weet je wel hoe goed het hier is, Jacoja?”, vroeg ze ernstig.
Ik knikte nederig.
Straks volg ik in Brugge Nederlandse les”, sprak ze.
“Ik moet nog steeds wat beter leren spreken, hé!”
Ze lachte al weer.
Een zonnige, levenslustige lach.
De rillingen liepen over mijn rug.
“Wat een overlever, dit dametje”, dacht ik bewonderend.
“Die Nederlandse les, Choen, waar ga je dat volgen?”, vroeg ik hoopvol.
“In een school aan de Lange Rei”, antwoordde Choen.
Ik lachte.
“Lap, ’t is prijs”, dacht ik.
“Dan nemen we straks samen de bus”, zei ik langs mijn neus weg.
“Werk jij daar in de buurt?”, vroeg Choen verbaasd.
“Ik geef daar les, Choen. Daar in die school waar jij nu naar toe gaat”, antwoordde ik.
“Leuk!”, riep Choen enthousiast, “dan kan jij me les geven, Jacoja!”
“Ik geef geen Nederlandse les, Choen, dat zal niet gaan, hé”, zei ik.
Choen keek spijtig.
We stapten samen af in Brugge.
We namen samen de bus.
We stapten samen het Centrum binnen waar ik werk.
Choen kwetterde als een welgezind vogeltje.
Ze had in Cambodja nooit school gevolgd.
Ze vertelde honderduit over haar kindjes en haar geluk.
Ik luisterde tevreden.
Aan het loket wenkte ik onze bevallige secretaresse.
“Schrijf dat madammeke hier eens in voor de eerstvolgende reeks Computerlessen”, zei ik.
Choen keek me dankbaar aan.
Ik knipoogde naar haar.
“Dag Choen”, zei ik, “leer veel bij vandaag”.
“Dag Jacoja”, zei ze, “geef goed les vandaag”.
Ze keek naar de koffievlek op mijn broek en lachte achter haar hand.
De secretaresse volgde haar blik.
“Je bent weer proper, Jacoja!”, zei ze streng.
“Ach, ze zitten allemaal aan een computer, ze zien dat niet”, antwoordde ik.
Ik stapte naar mijn lokaal en wreef in mijn handen.
“We gaan er hier eens invliegen”, dacht ik.
(*) Het verhaal van Choen is een waar gebeurd verhaal. Ik heb effectief Computerles gegeven aan Choen.
Ze was één van mijn beste studenten in de afgelopen tweeëntwintig jaar.
19:20
Gepost door jacoja
Permalink
| Commentaren (11)
| Email dit
|
Facebook
|
BIS REPETITA PLACENT
18:12
Gepost door jacoja
Permalink
| Commentaren (7)
| Email dit
|
Facebook
|
24-01-05
Wagyu.
Een maand of wat geleden nam ik in Brugge de trein naar Gent.
Het kan ook langer geleden zijn.
Who cares?
Ik was ontspannen en voldaan na een zware dagtaak.
Inderdaad : ontspannen!
Ik ben niet altijd moe, hoor!
Subiet denken jullie dat ik aan het Chronisch Vermoeidheidssyndroom lijd!
Niets van!
Het Chronisch Opgewektheidssyndroom, ja!
Ik had me knus geïnstalleerd in een hoekje van de wagon.
Ik las in het boek “Wie schrijft” van Elizabeth George.
Dat is een boek dat gaat over hoe je een boek moet schrijven.
Ja, Elisabeth had eens geen inspiratie en toen dacht ze : “Ik schrijf gewoon een boek over hoe ik boeken schrijf”.
Lap! Had ze wéér een bestseller!
Het is trouwens stééngoed, dat boek van Elisabeth.
Het was niet druk, hier en daar een Limburger die wat zat te zingen tegen een andere Limburger.
Een man kwam voor mij zitten.
Hij was een jaar of veertig.
“Proper kostuumpje”, dacht ik waarderend.
Hij had een modern brilletje op zijn neus, grijs haar en een dun snorretje.
“Olé”, dacht ik, “zit ik weer eens bij een yuppie”.
Ik las verder in mijn boek.
De man legde zijn aktetas in het bagagerek en ging zitten.
De trein vertrok.
Hij wees dolenthousiast naar buiten.
“Moet je eens zien, zeg, wat een prachtige Dikbillen lopen daar”, riep hij het uit.
“Shit”, dacht ik, “ ’t is dan nog een Hollander ook”.
Nu ben ik toevallig óók bijzonder geïnteresseerd in Dikbillen.
Ik keek door het raam.
“Ah! Je bedoelt koeien”, zei ik teleurgesteld.
Hij stelde zichzelf voor : “Aangenaam, Wim, manager”.
Al die Hollanders zijn “managers”, dus daar keek ik niet van op.
Ik kwam nog nooit een Hollander tegen die geen manager is.
Ik schudde beleefd zijn uitgestoken hand.
“Aangenaam, Jacoja, met zo veel woorden in zijn hoofd”, zei ik.
“Ja, jullie Belgen hebben verstand van runderen kweken”, zei hij.
“Kijk daar!”, riep hij luid.
Alle Limburgers in de wagon keken naar buiten.
“Die beestjes daar, dat zijn echte Belgische Witblauwe!”, vervolgde hij.
“Uitstekend vlees, maar ze kalven moeilijk af. Meestal is er een keizersnede nodig”, mijmerde hij.
Ik moest dringend ingrijpen.
“Subiet begint hij over de gynaecologische details van het kalveren ”, dacht ik.
Een weide verder kwam mijn kans.
Daar stonden een stelletje roodbruine koeien dom de trein aan te gapen.
“En?”, vroeg ik dwingend, “welke soort is dit?”
Zonder verpinken antwoordde hij : “Dit is een Fries Roodbonte koe.
Dit ras is een dubbeldoelras, bestemd voor melk- en vleesproductie.
Qua exterieur, type en tekening is dit ras te vergelijken met de zwartbonte Fries-Hollandse.
Het is een vrij lang dier, met een ondiepe borst, met een lang breed doch matig gebroekt achterstel en een goed ontwikkeld uier. Dit ras heeft een vriendelijke geaardheid.”
Ik was onder de indruk.
Een “matig gebroekt achterstel”!
Zat ik hier nondedju met een koeienencyclopedie op de trein!
Ik keek nog eens goed naar de “goed ontwikkelde uiers”.
Van één van de koeien hingen de spenen over het gras te schuren!
“Dat is inderdaad een uier om U tegen te zeggen”, besloot ik.
“Wim, je zei dat je manager bent”, gooide ik een visje.
“Ja, ik ben manager van Châteaux Wagyu, in Altembrouck, hier in België”, antwoordde hij.
“Lap”, dacht ik, “hij moet hier minder belastingen betalen, een échte Hollander”.
“Daar!” riep hij, driftig naar buiten wijzend.
“Dat zijn Engelse Herefordstieren!”
Ze stonden ons kwaad aan te kijken, die stieren.
Ik stak mijn tong naar ze uit.
“Kom maar op, stieren!”, riep ik.
Wim lachte.
“We fokken daar Wagyu-runderen”, vervolgde hij.
“En we verkopen sinds enkele jaren embryo’s”, zei hij trots.
Ik fronste mijn wenkbrauwen.
“Wat is dat hier allemaal”, dacht ik, “Wagyu, embryo’s verkopen, vies manneke!”
Ik zat al klaar om mijn rugzak te pakken en ergens anders te gaan zitten.
Liever, véél liever, bij die Limburgers zitten, dan bij zo’n vies manneke!
“Luister, Jacoja”, zei hij vriendelijk, “laat mij het even uitleggen”.
“ 'Wa' betekent 'Japans' en 'gyu' betekent 'rund' “.
Ik knipte met mijn vingers.
“Juist”, riep ik, “mijn vrouwtje heeft me daar onlangs nog iets van verteld!”.
“Dat zijn van die koeien die bier drinken en ’s avonds een massage krijgen!”, riep ik enthousiast.
Wim lachte.
“Ze drinken soms bier, dat klopt. En die massage klopt ook”, lachte hij.
“Onze Wagyukoeien stammen af van de originele Japanse soort”, zei hij.
“Er zijn in de geschiedenis maar twee keer van die dieren uit Japan gesmokkeld.
Het vlees van een Wagyurund is zeer bijzonder.
Oorspronkelijk werd het dier enkel en alleen voor de Keizer gekweekt.
De runderen die op zijn tafels belandden werden uiteraard bijzonder verwend.
De dieren werden gemasseerd en kregen het beste voer te eten en bier te drinken.”
Ik begon die Hollander boeiend te vinden.
“Euh,” merkte ik fijntjes op, “dat is nogal exclusief, zeker?”
“Wagyu is als kaviaar, Jacoja”, antwoordde hij.
“In Japan wordt tot tweehonderd vijftigduizend dollar betaald voor de beste Wagyu”, vervolgde hij.
“Eén Wagyu brengt hier makkelijk twintigduizend gulden op”, zei hij trots.
Ik dacht het al.
Het was een Hollander voor iets, hé!
“Die Jappen zijn zo zot als een achterdeur”, zei ik.
“Onlangs hoorde ik dat ze een levende tonijn uit Andalousië met een privéjet naar Japan vlogen”, vertelde ik.
“Voor hun Sushi! Kan je dat geloven?”
“Ja, Jacoja, het is wat, die Japanners”, zei Wim.
“Wel, Wim, twintigduizend gulden per koe!
Wat zit jij hier dan te doen tussen het plebs, in tweede klasse?”, vroeg ik.
“We zijn nog niet zo lang bezig, Jacoja”, antwoordde hij.
“Het kasteel moet gerestaureerd worden, de aankoop van onze eerste embryo’s kostte een fortuin…”, zei Wim neerslachtig.
“We moeten momenteel leningen afbetalen, ik weet niet of we het wel halen”, vertelde hij.
“Hebben die koeien dat graag, een massage?”, vroeg ik.
Hij lachte.
“Ze genieten met volle teugen!”, antwoordde hij.
“In Japan werden ze met saké gemasseerd, maar dat doen wij niet”, vervolgde hij.
“Saké zal te duur zijn”, dacht ik geniepig.
We naderden Gent.
Ik nam mijn rugzak en stond op.
“Succes, Wim”, zei ik.
“Eén ding nog”, sprak ik nadenkend.
“Wa?” vroeg Wim.
“Giejoe”, antwoordde ik.
Wim lachte.
“Neen, serieus”, zei ik.
“Geef die beesten eens Leffe om te drinken in plaats van die vorte Heineken, man”, zei ik.
“Je zal stukken rapper uit de schulden geraken!”, besloot ik.
“En je koetjes zullen véél minder stress hebben en dus nog lekkerder smaken!”, riep ik nog na terwijl ik uitstapte.
Toen ik voorbij het raam stapte zat Wim verwoed te schrijven in zijn agenda.
“Ik zal een procentje moeten vragen”, dacht ik.
Die Hollanders, hé!
20:04
Gepost door jacoja
Permalink
| Commentaren (10)
| Email dit
|
Facebook
|
Allé hup!
18:21
Gepost door jacoja
Permalink
| Commentaren (3)
| Email dit
|
Facebook
|
21-01-05
Deodorant.
Een week of zes geleden stapte ik in Brugge op de trein naar Gent.
Fris als een vis.
Voldaan van het vele werken.
Ja, dat soort dagen kan je op één hand tellen.
Een godganse dag wroeten en dan nog fris zijn!
Wel, dit was zo’n dag.
Ik was Zijne Frisheid Zelve!
“Zou die deodorant daar iets mee te maken hebben?”, vroeg ik mij af.
Ik kreeg van mijn moedertje zo’n flesje deodorant.
“Hier”, zei ze, “onder je oksels smeren”.
“Ja Ma”, zei ik braaf en ik smeerde het spul onder mijn oksels.
“Jacoja, nondedju! Je moet éérst je hemd uittrekken”, riep ze.
“A ja?”, vroeg ik verbaasd.
Nu moeten jullie niet denken dat ik er op los loop te stinken, hé.
Ik heb niet persé deodorant nodig.
Mijn persoonlijke hygiëne is een kwestie van eer.
“Je moet een beetje voor je decorum zorgen, hé, Jacoja!”, zegt mijn vrouwtje altijd.
Nee, mijn moedertje heeft het beste met mij voor.
Ze wil voorkomen dat ik ook maar een klein beetje naar zweet zou ruiken.
“Van hard werken zweet je een klein beetje, da’s normaal”, zegt ze altijd.
Ik vond een plaatsje tussen het plebs in de tweede klasse.
Voor me zat een jong koppel met twee enorme rugzakken.
Een meisje en een jongen, beiden een jaar of achttien.
Die kerel had heel lang haar en zo’n indianenband rond zijn hoofd.
Haar tot op zijn gat!
Dat lange haar kan mij niet zo veel schelen.
Toen ik jong was en net uit het leger kwam, ging ik vijf jaar niet naar de kapper.
Mijn moedertje werd bijna zot!
“Lodewijk de veertiende”, was mijn bijnaam in het dorp.
Wat me wél kon schelen was de geur die rond die gasten hing.
Ik keek al rond of er ergens anders een plaatsje vrij was.
“Miljaar”, dacht ik, “die gasten zijn in geen vier weken gewassen!”.
Stinken!
Ik rommelde wat in mijn rugzak.
Ik bood de jongen het flesje deodorant aan.
“Kan je dat snuiven”, vroeg hij lachend.
“Je kunt dat proberen”, antwoordde ik.
“Maar ’t is eigenlijk om die stank, die uit uw kleren opwelt, wat te bestrijden”.
Ik keek hem ferm in de ogen.
“Miljaar”, dacht ik, “pupillen als soepborden!”
Die gast was zo stoned als een aap.
“Sorry, hoor, voor die stank, ik weet het”, wees het meisje op hun kleren.
“We hebben net een week in het bos geleefd”, vervolgde ze.
Ik keek eens naar haar pupillen maar dat viel wel mee.
“Eigenlijk mooie oogjes, dat meisje!”, dacht ik.
De geur die uit hun kleren opsteeg was inderdaad te relateren aan een bos.
De geur van zompig nat, van zwammen op rottend hout.
“Zo”, zei ik, “op bosklassen geweest?”
“Bosklassen”, begon de jongen, “euh,…, euh, …Juist, ja! Bosklassen!”
Hij lachte hikkend.
Het meisje bleef doodserieus.
“Wij hebben net een weekje Lappersfort achter de rug”, zei ze.
“We hebben daar een nieuwe boomhut gebouwd”, vervolgde ze.
“Ha!” riep ik, “jullie zijn van het Groene Gordel Front!”
“Euh, ja, wij zijn, euh,…”, verloor de jongen zijn draad.
Hij keek verdwaasd door het raam.
“Aangenaam, Jacoja, met zo veel woorden in zijn hoofd”, stelde ik mezelf voor.
“Aangenaam”, euh, hoe heet ik alweer?”, vroeg de jongen aan het meisje.
“Ik ben Ilse en hij heet John”, wees het meisje naar de jongen.
“Juist, John”, zei de jongen.
“Zeg, maat, je hebt wél wat te veel binnen, hé”, zei ik tegen John.
“Hij heeft zich weer eens mispakt aan die Nederweed”, zei Ilse.
“Dat spul wordt met de dag straffer”, legde ze uit.
“Ik hoorde onlangs op het nieuws dat er een doorbraak is in dat dossier van het Lappersfort?”, vroeg ik.
“Juist”, zei Ilse.
“Je weet het toch liggen, hé, dat bos?”, vroeg ze.
“Ja, het is prachtig”, antwoordde ik.
“Het is ecologisch ontzettend belangrijk”, zei Ilse.
“Het bos is een schakel in de groene gordel rond Brugge”, vervolgde ze.
“Zo kunnen de diertjes van het ene bos naar het andere, euh, …, euh, … , wippen”, mengde John zich in het gesprek.
“Ze kunnen dan zo helemaal rond de stad wippen”, gierde hij het uit.
Hij begon door de wagon te wippen.
“Wip, wip, wip!”, riep hij daarbij.
“De Lijn zal zijn stelplaats dus niet in het bos neerplanten”, vervolgde Ilse onverstoord.
“En Fabricom verkoopt het bos aan de Staat”, vulde ik aan.
“Het ziet er goed uit voor het bos”, zei Ilse tevreden.
De trein stond even stil.
Een overweg geblokkeerd, waarschijnlijk.
We keken uit op een weide met koeien.
John was nu de koeien aan het tellen.
Bij “twee” verloor hij al de tel en moest hij herbeginnen.
“Ik bewonder jullie”, zei ik tegen Ilse.
“Jullie hebben het hem toch maar gelapt!
Dwars tegen grote machthebbers in een bos redden van de ondergang!”
Ilse keek me trots aan.
Onder het vuil zat een erg mooi, slim meisje.
“We zijn daar eens verjaagd door de politie”, zei ze.
“Ze hebben ons met matrakken uit de bomen geklopt”.
Haar stem trilde.
Haar lip beefde.
“Ja, ik heb dat gezien op televisie”, zei ik.
“Schandalig, vond ik dat, zo slaan op jonge mensen!”, zei ik kwaad.
“En slaan op vrouwen, daar kan ik al helemaal niet tegen!”, riep ik.
“Ik heb diene flik daar toch goed te pakken gehad”, zei John ongewoon helder.
“Ik heb hem, euh,…, euh,…”.
De opflakkering was maar van korte duur.
De rest van de reis babbelden we over bossen.
Ilse toonde me foto’s van het Lappersfortbos.
Machtig mooie foto’s.
John viel in slaap.
In Gent stapten we samen uit.
We liepen door de hal.
“Waar gaan jullie nu naar toe?”, vroeg ik hen.
“We kraken wel wat”, zei John nuchter.
Ilse keek hem vertwijfeld aan.
Ik dacht eens goed na.
“Wees mijn gast vanavond”, zei ik hoffelijk.
“Mijn vrouwtje zal jullie een goed maal bereiden.
Je kan bij ons ook eens een bad nemen”, stelde ik voor.
“Een bad! My kingdom voor een bad!”, riep Ilse verheugd.
Het werd een avond om nooit te vergeten.
Den Dreads en Ons Meisje vonden die twee fantastische gasten.
John bleek een bijzonder intelligente kerel, als hij wat minder stoned was.
We discussieerden tot laat in de nacht.
Toen mijn vrouwtje en ik gingen slapen, zei ze : “ ’t Is hier wel geen hotel, hé!”.
“Uitzonderingen bevestigen de regel”, antwoordde ik, “stel je eens voor dat het je eigen kinderen waren”.
Ze lachte.
“Dan zat ik er bij, daar in dat bos!”, riep ze.
“Rond de stad wippen, ja!”, riep ik.
“Wip, wip , wip, ik ben een diertje!”, wipte ze de trap op.
Lachend gingen we slapen.
“ ’t Is altijd goed, lachend te gaan slapen”, zei mijn grootvader altijd.
20:05
Gepost door jacoja
Permalink
| Commentaren (16)
| Email dit
|
Facebook
|








