12-02-05
Manten en Kalle
Moe en bijzonder ontevreden over mijn werkdag.
Gepikeerd dat ik was!
Er was één en ander verkeerd gelopen tijdens mijn les.
Vijf van de tien lescomputers waren besmet met een virus.
Geef maar eens les aan beginners wanneer vijf computers constant porno uitbraken!
Op de koop toe viel het draadloos internet uit.
Ik besloot mijn dag met de uitroep dat ik heel dat zootje in de vaart ging smijten.
Enkele van mijn cursisten staken al de handen uit de mouwen om me te helpen.
Toen ik hen weer wat gekalmeerd had vertrok ik vloekend richting station.
Je hebt zo van die dagen…
Op de trein probeerde ik mij wat te ontspannen.
Ik trok mijn Mephisto’s (geurloos!) uit en zette ze netjes onder de bank.
Ik zette mij in lotushouding.
Buik ontspannen, ogen gesloten en “Oooooommmmmmm”, weet je wel.
“Die meneer denk dat hij Boeddha is”, hoorde ik een lachende mannenstem zeggen.
“Subiet komt los van de bank en begint te zweven!”, lachte een vrouwenstem.
Met gesloten ogen analyseerde ik hetgeen ik hoorde.
“De man vervoegt zijn werkwoorden niet goed”, dacht ik.
“De vrouw spreekt ook wat gebrekkig, misschien is ze oorspronkelijk Franstalig.
Een paar licht anders validen”, besloot ik.
Onverstoord zoemde ik verder : “Oooooooooooommmmmmmm”.
“Laat meneertje met rust, Kalle! Zie je niet dat hij rust?”, bromde de man.
“Kalle, Kalle! Dan ben jij Manten!”, schaterde de vrouw.
“Op de home woont er ook meneer als die”, vervolgde ze.
“Altijd maar rusten en dinges doet hij”, vertelde ze enthousiast.
“Dinges?”, bromde Manten.
“Ja, “mee-die-teer”, of zoiets”, proestte Kalle het uit.
Ik hield mijn gezicht in de plooi en ontspande mijn buik nog wat verder.
Mijn ogen hield ik dicht.
“Jammer dat ik en Manten niet mogen samen in huis wonen”, zei Kalle triest.
“Ik zou goed vrouwtje zijn, hé, Manten?”, vroeg ze.
“Goed vrouwtje, ja”, bromde Manten tevreden.
Ik hoorde een klinkende zoen.
Op slag opende ik mijn ogen.
Kalle gaf Manten nóg een klinkende zoen op zijn wang.
Ze keek me aan en ze lachte.
“Dag meneertje. Ben je wakker?”, vroeg ze lief.
Ik was helemaal vertederd.
Voor me zaten twee mensen van een jaar of vijfendertig.
Manten was een klein ventje en Kalle een gezellig dikkertje.
Kalle hield Manten zijn hand vast alsof ze hem nooit meer zou laten gaan.
Ze blééf hem maar zoentjes geven.
“Stopt nu keer met dat pieperen!”, bromde Manten.
Zijn ogen blonken van plezier.
“Dag Kalle, dag Manten”, zei ik vriendelijk.
Ze schaterden het uit.
“Ik niet Kalle, ik Kaat!”, riep de vrouw.
“En meneertje hier”, wees ze op Manten, “zijn naam is Marcel!”.
Ze gierden van het lachen.
“Aangenaam, Jacoja, met zo veel woorden in zijn hoofd”, stelde ik mezelf voor.
Kaat keek verwonderd naar mijn hoofd.
Marcel gaf haar een duw en zei “Kalle, nondedju, dat is wijze van spreken!”
“Die meneer wil zeggen hij goed kan spreken”, legde hij serieus uit aan Kaat.
“Wij niet zo goed spreken, hé?”, vroeg Kaat serieus.
“Ah, wie spreekt er tegenwoordig wél goed”, antwoordde ik.
“Maar wij kunnen wél goed moppen zeggen”, zei Marcel.
Kaat gaf hem nog een zoen of tien.
“Ha!”, zei ik, “Marcel, vertel eens een goeie mop!”.
Marcel veegde zijn wang af en begon diep na te denken.
Het was een minuut of vijf héél stil.
Kaat zat hem trots aan te kijken.
Ik sloot nog wat mijn ogen.
“Jacoja!”, riep Marcel plots.
“Ja, Marcel”, zei ik vriendelijk.
“Ik heb één gevonden”, zei hij trots.
“Allé, vertel hem maar”, antwoordde ik.
“Het zal weer een vuile zijn”, zuchtte Kaat.
Marcel begon te vertellen :
“Er was eens een boer en hij koopte een nieuwe haan”.
“Waarom?”, vroeg Kaat, hem onderbrekend.
“Laat mij toch vertellen, Kalle”, riep Marcel het uit.
“Allé, waarom, schatje”, vroeg ze lief.
“Omdat de oude versleten was”, zei Marcel droog.
“In de winkel zegden ze die haan heeft veel goesting”, vervolgde Marcel.
Hij knipoogde naar me.
Ik knikte dat ik het begrepen had.
“Allé, haan was gelijk Marcel”, zei Kaat lachend.
“Kalle, laat mij voortvertellen”, zei Marcel streng.
Ik zat hen lachend te bekijken.
“Wat een vrolijke mensen”, dacht ik, een tikkeltje jaloers.
Marcel vertelde verder :
“Wel, die haan knipte op de eerste nacht alle kiekens.
Alle ganzen. Alle kalkoenen. Allé, alles wat pluimen had”.
“Jawadde”, lachte Kaat.
“Een superhaan!”, riep ik enthousiast.
Marcel glunderde.
“Maar de boer kwam zeggen tegen de haan dat niet kon zijn.
Je gaat je doodwippen”.
Marcel stak waarschuwend zijn vinger in de lucht bij deze woorden.
“De haan trekte zich daar niet van aan en pakte nog rap de zwanen ook”, vertelde Marcel verder.
“De zwanen? Die boer had toch geen zwanen”, vroeg Kaat doodserieus.
Marcel zat haar verward aan te kijken.
“Het waren de zwanen van de buurman, Kaat”, zei ik vlug.
“Juist, Jacoja”, zei Marcel beslist.
Het werd stil.
Marcel zat diep na te denken.
Kaat zat naar buiten te staren.
“En?”, vroeg ik voorzichtig aan Marcel.
“A ja”, zei hij.
“De volgende morgen ligt die haan daar dood op de mesthoop.
Er vliegen vogels boven…”, twijfelde Marcel.
“Euh, dinges,…” zei hij aarzelend.
“Kraaien!”, riep Kaat.
“Ba neen, zot, geen kraaien”, zei Marcel nadenkend.
“Vogels die andere beesten opeten”, vervolgde hij.
“Ha!”, zei ik, “gieren, bedoel je”.
Marcel keek me dankbaar aan.
“Gieren, ja! Van die grote beesten, Kaat. We hebben ze gezien in Zoo!”, zei hij.
“De boer gaat naar de haan en zegt zie wel dat je doodgewipt bent”, vertelde hij verder.
Kaat zat hem met grote ogen aan te kijken.
Ik kon mij niet meer inhouden van het lachen.
Marcel begon ook te schateren van het lachen.
“Maar is nog niet gedaan, hé!”, riep hij.
“Zwijgt zei de haan, subiet komen ze naar beneden”, riep Marcel luid.
Kaat zat hem onverstoord te bekijken.
Na een paar minuten begon ook zij te giechelen.
De verdere reis vertelden we om beurt een mop.
De één al beter dan de andere.
We hadden samen veel plezier.
We kwamen aan in Gent.
Ik trok mijn Mephisto’s weer aan en pakte mijn rugzak.
“Meneertje Jacoja moet afstappen?”, informeerde Kaat.
“Ja, Kaat, ik ga naar huis, naar mijn vrouwtje”, antwoordde ik.
Ze keek eventjes heel triestig.
“Dag Kaat”, zei ik zacht.
“Dag Marcel”.
Ik schudde hem de hand en gaf Kaat een dikke zoen op haar wang.
Toen ik afgestapt was en hun raam passeerde was Kaat weer zoentjes aan het geven.
Marcel zat er zichtbaar van te genieten.
“Manten en Kalle. Lieve, lieve mensjes”, dacht ik vertederd.
19:41 Gepost door jacoja | Permalink | Commentaren (7) | Email dit |
Facebook |






Commentaren
Ge zijt een krak, Jacoja! Er moesten wat meer vrolijke mensen zijn, hé Jacoja!
Prachtig geschreven!
Bedankt!
Gepost door: lady rosita | 12-02-05
Liefde kan toch mooi zijn. Schoon koppeltje Manten en Kalle. Zomaar uit het leven gegrepen en heel mooi beschreven.
Gepost door: yapede | 12-02-05
*** Prachtig!
Gepost door: Lientje | 12-02-05
zonder woorden...
Gepost door: Lizy | 13-02-05
merci maat wreeds schoon valentijnverhaal :-)
Gepost door: willy | 13-02-05
. :-D
Gepost door: Dafke | 13-02-05
ooooh zo lief!!!
Gepost door: steffie | 14-02-05
Post een commentaar