28-02-05

Lanterfanten.

Ik denk dat het vorig jaar eind september was, maar ik weet het niet meer helemaal zeker.

Het kan ook begin oktober geweest zijn.

Het was in elk geval een mooie, warme najaarsdag.

Zo’n echt bijna windstille, perfecte najaarsdag.

Het was een uur of drie in de namiddag.

Ik had vroeg gedaan met werken.

Ik liep wat te lanterfanten op perron 10 van Brugge.

(den dikke) lan·ter·fan·ten (onov.ww.)

1 [pej.] luieren

 

 

Ondertussen floot ik een nummer van Solid Jive, de beste bluesband van het Europese continent.

De trein die er moest staan stond er niet.

“Who cares”, dacht ik.

Ik leunde op mijn gemak tegen een reclamepaneel.

De zon scheen heerlijk op mijn gezicht.

Ik sloot genietend mijn ogen.

“Laat die trein nog maar even wegblijven”, dacht ik.

 

Plots viel me iets op.

Ik stopte met fluiten.

Ik hoorde niets!

Geen trein, geen verkeer, geen mensen, …

Ik opende mijn ogen en keek eens rond me.

Er was niemand op het perron.

Ik zag geen verkeer in de straten rond het station.

Gerustgesteld glimlachend sloot ik mijn ogen weer.

“Het station der stilte…”, dacht ik.

Het was zo’n zeldzaam moment, alsof ik mij in een luchtbel bevond.

 

Een geluid verbrak de stilte.

Een scherp, aandachttrekkend roepen.

Ik spitste mijn oren.

Ik hield mijn ogen dicht en concentreerde me.

Ik fronste verbaasd.

Het geluid kwam niet uit de struiken naast het perron.

Het kwam van boven, zo’n meter of tien boven de grond.

Ik hoorde ook een vreemd geruis.

“Ha!”, dacht ik, “ik ken je!”.

 

Ik opende mijn ogen en zag de bevestiging van wat ik dacht :

boven de struiken aan de rand van het perron hing een torenvalk te bidden.

Het was een mannetje, aan zijn blauw kopje te zien.

Hij riep me : “kijk naar mij, kijk naar mij!”

Ik glunderde.

Zo maar, op tien meter voor me, hing een torenvalkje de show te stelen!

“Dat beest staat op de loonlijst van de NMBS”, dacht ik.

Falco Tinnunculus, ingehuurd om eenzame reizigers te plezieren”, lachte ik bij mezelf.

 

Het was een prachtig dier met roodbruine schouders en witzwarte pennen.

Het torenvalkje klapperde razendsnel met zijn vleugels.

Zó snel, mijn ogen konden het niet volgen.

Het tuurde voortdurend naar beneden, tussen de struiken.

 

Mijn ogen schoten heen en weer, speurend tussen de struiken aan de overkant van het spoor.

Er gebeurden rare dingen met mij.

Ik voelde oeroude jachtinstincten in mij opwellen.

Ik liep, stil als een panter, op de boord van het perron.

De torenvalk keek me recht in de ogen, maar hij vloog niet weg.

 

Plots merkte ik een beweging tussen de struiken.

Ik verstijfde.

De torenvalk draaide zich in de goede richting.

Ik hield onbewust mijn adem in.

Mijn spieren spanden zich.

De torenvalk riep, schel en luid deze keer.

 

Als in een vertraagde film gebeurde het.

De valk vouwde zijn vleugels samen en stortte als een baksteen naar beneden.

De muis had geen enkele kans.

Twee seconden later vertrok hij met een dode muis tussen zijn klauwen.

 

Ik had kippenvel.

Al het haar op mijn lijf stond recht.

Glimlachend keek ik het valkje na.

“Bedankt, maat”, prevelde ik, zwaar onder de indruk, “dit was van het mooiste van mijn leven”.

“Arme muis”, dacht ik nog, “het was niet bepaald het mooiste van zijn leven…”

 

Een minuut later kwam het station weer tot leven.

Ik hoorde de roltrap starten en er kwamen mensen naar boven.

Er reden weer auto’s en bussen in de straten rond het station.

Drie treinen kwamen tegelijk met een hels lawaai het station binnengereden.

De luchtbel spatte uit elkaar…

 

Mijn trein reed voor.

De zon verdween abrupt.

Zuchtend pakte ik mijn rugzak.

Ik stapte op en zette me aan het raam.

Speurend keek ik uit over Brugge.

 

Héél in de verte zag ik een vogel vliegen.

Hij bleef stilhangen in de lucht, klapperend met zijn vleugels.

Ik lachte.

“Next mouse!”, dacht ik, “het zijn slechte tijden voor de muizen”.

 

 

Wil je meer weten over torenvalken : http://www.ivnvechtplassen.org/ivn_vogels_veen_weide/Tore... (daar kan je de torenvalk ook horen!)


21:01 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (7) | Email dit |  Facebook |

25-02-05

KLAK

(den dikke) : klak (de ~, ~ken)

1 [Belg., inf.] pet [Belg., inf.]

 

Eind november stond ik in Brugge te wachten op het perron.

Ik was een half uurtje te vroeg voor de trein naar Gent.

Ik was in een zeldzaam melancholische bui.

Het kwam misschien door de bijtende kou, of door de grijze wolken, ik weet het niet.

Ik was Zijne Melancholie Zelve!

 

Er was bijzonder weinig volk op het perron.

Heel in de verte, aan de andere kant, stonden enkele mensen te verkleumen.

Ik ijsbeerde wat.

Dat doe ik altijd als het koud is en ik in een melancholische bui ben : ijsberen.

 

(den dikke) : ijs·be·ren (onov.ww.)

1 rusteloos op en neer lopen

 

Tijdens het ijsberen zong ik stilletjes, voor mezelf, een bluesnummer.

“Mellow me down”, van Solid Jive, de beste bluesband van het Europese continent.

(Meer over Solid Jive in één van mijn volgende cursiefjes!)

 

Ik vond het heerlijk om uit te kijken over een leeg perron.

Een perron is mooi, mensen.

Bekijk dat maar eens goed!

Al dat oud ijzer! Dat perspectief van die sporen!

Een leeg perron, dat is blues van de bovenste plank.

 

Mijn oog viel op een grijze verschijning, helemaal op het andere einde van het perron.

Nieuwsgierig wandelde ik die richting uit.

“Zou het …”, dacht ik twijfelend.

Hoe dichter ik kwam, hoe zekerder ik werd.

Het was Julien, mijn favoriete spoorwegarbeider.

 

Julien stond leunend op zijn veegborstel naar de sporen te kijken.

Hij droeg zijn eeuwige, grijze stofjas en keek nogal beteuterd.

“Ha! Julien”, riep ik van op een meter of vier.

Julien draaide traag zijn kale hoofd mijn richting uit.

Even zag ik een blik van herkenning op zijn triest gelaat.

“Shit”, dacht ik, “Julien heeft ook de blues”.

 

“Jacoja, zeker?”, vroeg Julien.

“Die met al die woorden in zijn hoofd?”, vervolgde hij.

“Verdomme!”, riep Julien en hij knipte met zijn vingers.

“Je hebt me eens het leven gered, Jacoja!”.

 

Ik was blij dat hij me nog herkende.

In één van mijn vorige cursiefjes had ik hem inderdaad nog nét kunnen grijpen, toen hij struikelde.

Hij lag bijna onder een trein, die keer.

 

“Wel, Julien? Wat scheelt er?”, vroeg ik.

Julien wees naar de sporen.

Ik ging naast hem staan en keek.

Tussen de sporen lag een oude, versleten pet.

“Ze is nog van mijn grootvader”, zei Julien triestig.

“Ik heb nondedju al geprobeerd of ik er met mijn borstel aan kan, maar het lukt me niet”, zei hij.

 

“Allé, Julien. Hoe komt die pet daar nu tussen de sporen?”, vroeg ik.

“Klak, Jacoja. Dat is een klak”, zei Julien.

 

Hij keek me ernstig aan.

“Ik was hier op mijn gemak het perron aan het vegen”, vertelde hij.

“Plots komt er een windstoot, uit het niets! Hup, mijn klak tussen de sporen.

Nog een jaar voor ik op pensioen ben.

Ik draag die klak al veertig jaar!

Mijn grootvader droeg ze ook al twintig jaar!”

Julien schudde triestig met zijn hoofd.

 

Hij stak de steel van zijn borstel onder zijn oksel.

Hij pakte zijn tabaksdoos uit een zak van zijn grijze schort.

Hij opende de doos en haalde er een vloeitje uit.

Vervolgens strooide hij een fikse portie tabak op het vloeitje.

Even later stak hij de brand in de frietzak die hij gedraaid had.

Hij keek nadenkend naar de klak.

 

“Kunnen we die niet gewoon pakken, Julien?”, vroeg ik voorzichtig.

Hij keek me verschrikt aan.

“Jij bent zot, zeker, Jacoja?”, riep hij.

“Ten eerste : het is verboden op de sporen te lopen”, zei hij, “ik kan daarmee mijn werk verliezen!”.

“En ten tweede, de laatste die dat geprobeerd heeft was Marcel”, vervolgde hij.

 

Hij keek me met grote ogen aan.

“Zo’n jaar of twintig geleden was Marcel ook zijn klak kwijt”, vertelde hij.

“Ze hebben hem van een trein moeten schrapen! Niet zijn klak, hé, maar Marcel!”

Bij deze woorden nam hij een ferme trek van zijn sigaret.

Hoestend vervolgde hij moedeloos : “Neen, Jacoja, ik ben die klak kwijt”.

 

Ik bekeek het zaakje een op mijn gemak.

Ondertussen floot ik een ander nummer van Solid Jive, de beste bluesband van het Europese continent.

“I’d like to talk to you”, heette dat nummer.

De klak lag eigenlijk niet zó ver, constateerde ik.

“Maar hier op die sporen gaan kuieren, dat zie ik ook niet zitten”, dacht ik.

Ik zag de rode restjes Marcel al aan de ruit van de trein plakken.

 

“Niet te rap opgeven, Julien”, riep ik bemoedigend.

“Geef mij eens die borstel!”

Julien gaf me de borstel en ik probeerde de klak te pakken.

 

“Dju”, zei ik, “we komen dertig centimeter te kort”.

Marcel knikte.

“Dju toch, dju toch”, jammerde hij.

 

“Miljaar, ik moet hier echt wel iets doen.

Straks moet die mens depressief op pensioen gaan”, dacht ik bezorgd.

“Julien, ik heb een idee”, zei ik, zelfverzekerder dan ik was.

Julien keek me verwachtingsvol aan.

“Jij geeft me een hand, ik leun voorover en ik pak die klak met de borstel”, vervolgde ik.

Julien wreef eens over zijn kale kop.

“We kunnen dat proberen”, zei hij bedachtzaam.

Hij schoot zijn peuk naar de overkant en gaf me een hand.

 

Een minuut later was de klak binnen.

Onderweg viel ze nog wel een keer of twee van de borstel.

Dat kon ons niet deren : de klak kwam gestaag dichterbij.

 

Net op het moment dat Julien zijn klak zielsgelukkig weer op zijn hoofd zette kwam de trein er aan.

Hij donderde over de plaats waar daarnet nog de klak van Julien lag.

Julien slikte toen hij het zag.

 

Hij klopte me op de schouder.

“Bedankt, maat!”, riep hij.

“Je hebt er één tegoed! Ik zal je een pint trakteren!”, brulde hij boven het lawaai van de trein uit.

“Een volgende keer, Julien”, brulde ik terug, “en ik drink geen pinten, alleen Leffe!”

“Ik moet nu naar Gent, naar huis! Mijn vrouwtje wacht op mij!”

 

We zwegen.

We verstonden mekaar toch niet meer met al dat lawaai.

Ik schudde hem de hand en stapte op de trein.

 

Julien zwaaide met zijn klak toen de trein vertrok.

Welgezind floot ik een nummer van Solid Jive, de beste bluesband van het Europese continent.

“Morning Train”, de voorlopige kroon op hun werk.

 

(*) Alle nummers van Solid Jive zijn te beluisteren op hun (schitterende) website : http://www.solidjive.be

Je kunt daar ook de cd kopen en lezen waar en wanneer Solid Jive zal  optreden.


20:08 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (471) | Email dit |  Facebook |

17-02-05

Sprakeloos.

Een maand of vier geleden, het was midden oktober, stapte ik in Brugge op de trein.

Die trein reed huiswaarts, richting Gent.

Ik was moe, maar voldaan van het vele werken.

Daar zal de trouwe lezer al niet meer van verschieten, zeker?

Ik nestelde me knus in een hoekje van de wagon, tussen het andere plebs.

 

Voor me zat een jonge, knappe, blonde kerel.

Naast hem zat een wat oudere vrouw.

Ik diepte mijn computermagazine uit mijn rugzak en begon te lezen.

“Tijd voor enig gezeik over Microsoft en aanverwanten”, dacht ik vrolijk.

De trein vertrok schokkend.

“Een treinbestuurder met Parkinson”, dacht ik gemeen.

 

Ik zat rustig te lezen.

“Servicepack2, een update van Microsoft, deed wereldwijd zeventig procent van de computers crashen”.

“Wat zijn dat toch professionals, daar bij Microsoft”, dacht ik bewonderend.

 

Plots hoorde ik vreemde keelklanken.

Ik keek boven mijn magazine uit naar de jongen.

Hij was, druk gebaren makend, aan het praten met de vrouw.

Zij antwoordde met andere gebaren.

De jongen probeerde ook wel te spreken, maar hij produceerde alleen rauwe klanken.

Ik zat het tafereel verwonderd aan te kijken.

Ik snapte geen bal van wat ze vertelden.

 

De jongen wees naar mijn magazine en wendde zich weer tot te vrouw.

Ik keek de vrouw vragend aan.

Ze lachte.

“Mark maakt zich druk over die titels op de cover van je magazine”, zei ze.

“Hij volgt computerlessen, ’t is daarmee”, zei ze.

Mark knikte bevestigend.

 

Ik besloot mezelf eerst netjes voor te stellen.

Dat is beleefd en dat praat gemakkelijker.

“Aangenaam, Jacoja, met zo veel woorden in zijn hoofd”, zei ik.

Ik schudde Mark en de vrouw de hand.

“Aangenaam, Anita en Mark”, zei de vrouw.

 

“Mark volgt computerles in Brugge en ik ben zijn begeleidster”, zei Anita.

Ze maakte daarbij bliksemsnelle gebaren, in de richting van Mark.

Mark antwoordde met zijn handen.

Anita lachte.

Ze vertaalde : “Mark zegt dat Windows een snertprogramma is”.

Mark maakte weer een hele reeks gebaren.

Ik zat bewonderend naar zijn handen te kijken.

Ik keek vragend naar Anita.

“Hij zegt dat die Servicepack2 voor heel veel ellende zorgt”, zei ze.

 

“Windows sucks”, antwoordde ik.

Anita vertaalde mijn woorden in gebaren.

Mark lachte.

“Shit”, dacht ik, toen ik hem zo zag lachen, “wat een knappe kerel!”

“Mark kan ook redelijk liplezen, Jacoja”, zei ze.

 

“Ok, Mark, ik spreek jou taal niet”, zei ik traag en ik keek hem recht in de ogen.

Ik bewoog overdreven mijn lippen, bijna in slowmotion.

Hij bleef vriendelijk in mijn ogen kijken.

“Karaktertest geslaagd”, dacht ik tevreden.

 

Anita lachte en zei : “Je mag gewoon praten, hoor, Jacoja.

Tegen dove mensen moet je niet extra traag praten. Ze kunnen ook snel liplezen”.

 

“Leer mij eens een paar gebaren”, vroeg ik, duidelijk articulerend.

“Dat kan van pas komen wanneer ik andere dove mensen tegen kom”.

“Allé, ik ken wel een paar gebaren, hé”, lachte ik.

“Maar of die wel geschikt zijn om een beleefd gesprek te voeren betwijfel ik!”

 

Mark grijnsde.

Hij stak zijn middelvinger op.

Anita lachte.

“Ja, ja”, dat is zo’n gebaar dat ik al ken!”, riep ik.

 

Mark zette zich eens goed.

Hij maakte trage gebaren.

Eerst wees hij naar mij.

Vervolgens draaide hij zijn pols met zijn duim tegen zijn wijsvinger.

Daarna toonde hij met duim en wijsvinger iets als vijf centimeter.

“Héla”, dacht ik fronsend, “geen beledigingen, hé!”

Hij maakte een cirkelvormige beweging met een vinger voor zijn gezicht.

Tot slot draaide hij met zijn vingers weer voor zijn gezicht en stopte met zijn duim op zijn neus.

 

Ik keek vragend naar Anita.

“Zo veel woorden in je hoofd”, zei ze.

“En dat laatste betekent dat je gek bent”, lachte ze.

“Opletten wat je zegt, hé, maat”, lachte ik en ik stak mijn vuist op.

Mark lachte en draaide met zijn wijsvinger tegen zijn slaap.

“Pas op, hé!”, riep ik, “dat heb ik begrepen, hé!”

 

We naderden Gent.

Mark en Anita gaven me les in gebarentaal.

Het was een vrolijke boel.

Mark vertelde een goeie mop over doven, in trage gebarentaal.

Hij was zó content toen hij merkte dat ik de mop begrepen had!

Ik ook.

Ik zweette van de inspanning van al die mouvementen te volgen.

 

“Mark?”, vroeg ik vriendelijk, “wil je me nog één ding leren?”

Hij knikte bevestigend.

“Leer me eens zeggen : “Ik zie je graag”, in gebarentaal”, vervolgde ik.

Hij keek vragend.

“Wel! Dan kan ik dat straks eens zó zeggen, tegen mijn vrouwtje”.

Hij keek opgelucht.

 

Mark hield zijn vingertoppen van beide handen tegen elkaar.

Zijn vingers waren licht gebogen.

Hij bewoog zijn armen drie keer in een soort golfbeweging.

 

Anita schaterde het uit.

“Mark!”, riep ze, druk tegen hem gesticulerend.

“Dat betekent “ik wil met je vrijen””, verklaarde ze.

Mark zat guitig te lachen.

“Ok”, zei ik, “dat kan ook van pas komen”.

 

Vervolgens maakte Mark een eenvoudig gebaar.

Hij draaide zijn rechterhand sierlijk met licht gespreide vingers.

Zijn pink wees daarbij omhoog.

In een vloeiende beweging duwde hij met zijn middelvinger tegen zijn hart.

“Het teken voor ‘verliefd’ “, zei Anita zacht.

Ik was sprakeloos.

Dit was één van de mooiste gebaren die ik ooit gezien had!

Miljaar, zo gracieus!

Vingerballet!

 

De trein kwam aan in Gent.

“Geef me de vijf, Mark”, zei ik.

We schudden mekaar de hand.

Ik nam afscheid van Anita.

 

Mark wees naar mij en tikte nog eens tegen zijn voorhoofd.

Ik maakte een pistool met mijn vingers en schoot naar hem.

Daarna blies ik de denkbeeldige rook weg en stapte af.

Toen ik voorbij hun raam passeerde waren ze druk aan het gebaren naar elkaar.

 

“Mooi”, dacht ik, “die dansende handen”.

Ik oefende het gebaar “verliefd” nog wat terwijl ik naar buiten liep.

En het gebaar “vrijen”, voor alle zekerheid.


19:54 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (16) | Email dit |  Facebook |

15-02-05

Murw.

Een paar maanden geleden stond ik te suffen aan de bushalte in Brugge

Het was avond, mijn les zat er op en ik was murw.

Ik had die dag waarlijk alles gegeven wat er in mij zat.

Ik voelde mij leeggezogen, een zombie.

Ik was Zijne Murwheid Zelve!

 

Er was in de verste verte nog geen bus te zien.

Ik stond al vijftien minuten te wachten.

Ja, die bussen in Brugge : ze rijden om de tien minuten!

Zuchtend leunde ik tegen de gevel achter mij.

Ik sloot mijn ogen en probeerde mij wat te ontspannen.

Een waterig avondzonnetje scheen aangenaam op mijn gezicht.

 

Ik schrok op : iets of iemand trok aan mijn broek!

Ik opende mijn ogen, keek naar beneden …

recht in twee schattige, amandelvormige bruine oogjes.

Een klein, andersgepigmenteerd meisje van een jaar of drie keek me lachend aan.

Ze had zo van die staartjes in haar kroezenhaar.

 

“Dag Jacojaatje”, zei ze lief.

Ik pakte haar op en gaf haar een dikke knuffel.

“Dag kleine, lieve Melissa”, fluisterde ik in haar oor.

Ik draaide me om en keek in de glunderende gezichten van Oumar en zijn vrouw.

Oumar, mijn andersgepigmenteerde vriend en zijn vrouwtje!

Wat was ik content om hen te zien!

 

Oumar schudde omstandig mijn hand en somde op zijn Afrikaans al mijn “Titels” op voor zijn vrouw.

Melissa zat op mijn arm te giechelen.

Ik schudde de vrouw ook de hand.

“Aangenaam, Abioye”, zei ze.

“Aangenaam, Jacoja”, zei ik.

Melissa had ik al eerder gezien en Oumar had me al veel verteld over zijn prinses Abioye.

Abioye was een zeer knappe Afrikaanse vrouw.

Ze droeg een felgekleurde sarong en ze had van die pareltjes in haar dreads.

 

“Dit is nu die Jacoja waar mijn echtgenoot het zo veel over heeft”, zei ze lachend, in vlekkeloos Nederlands.

“De man met zo veel woorden in zijn hoofd”, lachte Abioye.

“Je ziet er moe uit, Jacoja. Veel moeten werken, vandaag?”, vroeg ze vriendelijk.

Ik gaf  Melissa aan Oumar en vertelde haar één en ander over mijn werk.

 

“De bus komt!”, kraaide Melissa even later.

 

We stapten op.

Oumar als eerste, met Melissa op zijn arm.

We toonden ons abonnement en we zochten een plaatsje.

De bus zat propvol senioren.

Zat iedereen daar zuur te kijken!

“Mensen, mensen”, dacht ik, “wat is het leven een feest!”

 

We vonden een plaats bij een oude, grijze man.

Melissa kwam gezellig op mijn schoot zitten.

“Lieve kleine meid”, dacht ik, compleet van de kaart van vertedering.

De bus vertrok.

 

Schuin voor me zat Oumar te grijnzen.

Abioye kon haar gezicht ook niet in de plooi houden.

Ze hield haar hand voor haar mond en ze zat te snikken van het lachen.

Ik keek onbegrijpend naar Oumar.

Hij wees discreet naar Melissa.

 

Ik bekeek haar eens goed…

en ik schaterde het uit van het lachen.

Melissa zat de zuurkijkende oude man na te doen.

Ze deed dat zoals alleen peuters van drie jaar dat kunnen :

ze stak haar onderlip krampachtig naar voor, precies zoals de oude man.

Ze keek even lodderig als de man.

 

De oude man begon ook te lachen.

“Wie kan er weerstaan aan een kinderlach”, dacht ik tevreden.

Hij keek Melissa vriendelijk aan.

Melissa bootste op slag zijn vriendelijke gezicht na.

 

“Jij bent een klein spookje”, zei de man, wijzend naar Melissa.

“Al wat je zegt ben je zelf”, antwoordde ze bliksemsnel.

Hier en daar begonnen senioren al wat vriendelijker naar dit tafereel te kijken.

“Melissa!”, zei Abioye streng, “beleefd zijn, hé!”

“Ja mama”, antwoordde Melissa braaf.

Goedkeurend gemompel steeg op in de bus.

 

De oude man zocht in zijn zakken.

Hij diepte er een muntstuk van twee euro uit te voorschijn.

“Kijk, kleine meid”, zei hij.

Hij hield Melissa het muntstuk voor.

Melissa keek hem vrolijk aan.

 

“Ik kan toveren”, zei de oude man.

Hij was nu helemaal een lieve oude grootvader geworden.

De andere senioren volgden de situatie op de voet.

Een mevrouw verliet haar zitplaats en kwam naast ons staan, om zeker niets te missen.

Oumar en Abioye zaten geamuseerd te kijken.

 

“Knip”, zei de oude heer en het muntstuk was verdwenen.

“Straffe kost”, dacht ik bewonderend.

Hier zat een knappe goochelaar voor me!

De man haalde het muntstuk met zijn andere hand uit Melissa haar oor.

Ze kraaide van plezier.

“Nog eens!”, riep ze enthousiast.

 

De oude man lachte.

Hij knipte het muntstuk weer weg en toverde het uit Oumar zijn neus.

Oumar zat daarna scheel naar zijn neus te kijken.

Melissa kreeg de slappe lach.

 

Tien minuten later arriveerden we aan het station.

Iedereen in de bus zat te glimlachen.

De oude man haalde de ene truc na de andere uit met het muntstuk.

Ik had er geen idee van hoe hij het deed, maar zijn vingervlugheid was indrukwekkend.

 

Verschillende mensen kwamen ons groeten bij het afstappen.

Een oude vrouw streelde Melissa over haar hoofdje.

De oude man gaf het muntstuk aan Melissa.

“Hier”, zei hij, “voor je spaarpot”.

Abioye keek streng.

“Dank u, meneer”, zei Melissa beleefd.

Ze keek blij toen iedereen weer goedkeurend mompelde.

 

Buiten, aan de bushalte voor het station, nam ik afscheid.

“Dag Oumar, mijn vriend”, zei ik en ik schudde hem de hand.

“Dag Abioye”, zei ik en ik gaf haar een zoen.

“Dag klein spookje”, zei ik plagend tegen Melissa.

“Al wat je zegt ben je zelf, Jacojaatje”, antwoordde ze en ze stak haar tong uit.

“We spreken eens af, hé, Jacoja”, riep Oumar me na.

Ik knikte en toonde mijn gsm.

“Bel maar”, riep ik en ik holde welgezind naar mijn trein.


20:05 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (9) | Email dit |  Facebook |

12-02-05

Manten en Kalle

Een maand of twee geleden zat ik op de trein van Brugge naar Gent.

Moe en bijzonder ontevreden over mijn werkdag.

Gepikeerd dat ik was!

Er was één en ander verkeerd gelopen tijdens mijn les.

Vijf van de tien lescomputers waren besmet met een virus.

Geef maar eens les aan beginners wanneer vijf computers constant porno uitbraken!

Op de koop toe viel het draadloos internet uit.

Ik besloot mijn dag met de uitroep dat ik heel dat zootje in de vaart ging smijten.

Enkele van mijn cursisten staken al de handen uit de mouwen om me te helpen.

Toen ik hen weer wat gekalmeerd had vertrok ik vloekend richting station.

Je hebt zo van die dagen…

 

Op de trein probeerde ik mij wat te ontspannen.

Ik trok mijn Mephisto’s (geurloos!) uit en zette ze netjes onder de bank.

Ik zette mij in lotushouding.

Buik ontspannen, ogen gesloten en “Oooooommmmmmm”, weet je wel.

 

“Die meneer denk dat hij Boeddha is”, hoorde ik een lachende mannenstem zeggen.

“Subiet komt los van de bank en begint te zweven!”, lachte een vrouwenstem.

Met gesloten ogen analyseerde ik hetgeen ik hoorde.

“De man vervoegt zijn werkwoorden niet goed”, dacht ik.

“De vrouw spreekt ook wat gebrekkig, misschien is ze oorspronkelijk Franstalig.

Een paar licht anders validen”, besloot ik.

Onverstoord zoemde ik verder : “Oooooooooooommmmmmmm”.

 

“Laat meneertje met rust, Kalle! Zie je niet dat hij rust?”, bromde de man.

“Kalle, Kalle! Dan ben jij Manten!”, schaterde de vrouw.

“Op de home woont er ook meneer als die”, vervolgde ze.

“Altijd maar rusten en dinges doet hij”, vertelde ze enthousiast.

“Dinges?”, bromde Manten.

“Ja, “mee-die-teer”, of zoiets”, proestte Kalle het uit.

Ik hield mijn gezicht in de plooi en ontspande mijn buik nog wat verder.

Mijn ogen hield ik dicht.

 

“Jammer dat ik en Manten niet mogen samen in huis wonen”, zei Kalle triest.

“Ik zou goed vrouwtje zijn, hé, Manten?”, vroeg ze.

“Goed vrouwtje, ja”, bromde Manten tevreden.

Ik hoorde een klinkende zoen.

 

Op slag opende ik mijn ogen.

Kalle gaf Manten nóg een klinkende zoen op zijn wang.

Ze keek me aan en ze lachte.

“Dag meneertje. Ben je wakker?”, vroeg ze lief.

 

Ik was helemaal vertederd.

Voor me zaten twee mensen van een jaar of vijfendertig.

Manten was een klein ventje en Kalle een gezellig dikkertje.

Kalle hield Manten zijn hand vast alsof ze hem nooit meer zou laten gaan.

Ze blééf hem maar zoentjes geven.

“Stopt nu keer met dat pieperen!”, bromde Manten.

Zijn ogen blonken van plezier.

 

“Dag Kalle, dag Manten”, zei ik vriendelijk.

Ze schaterden het uit.

“Ik niet Kalle, ik Kaat!”, riep de vrouw.

“En meneertje hier”, wees ze op Manten, “zijn naam is Marcel!”.

Ze gierden van het lachen.

“Aangenaam, Jacoja, met zo veel woorden in zijn hoofd”, stelde ik mezelf voor.

 

Kaat keek verwonderd naar mijn hoofd.

Marcel gaf haar een duw en zei “Kalle, nondedju, dat is wijze van spreken!”

“Die meneer wil zeggen hij goed kan spreken”, legde hij serieus uit aan Kaat.

 

“Wij niet zo goed spreken, hé?”, vroeg Kaat serieus.

“Ah, wie spreekt er tegenwoordig wél goed”, antwoordde ik.

“Maar wij kunnen wél goed moppen zeggen”, zei Marcel.

Kaat gaf hem nog een zoen of tien.

 

“Ha!”, zei ik, “Marcel, vertel eens een goeie mop!”.

Marcel veegde zijn wang af en begon diep na te denken.

Het was een minuut of vijf héél stil.

Kaat zat hem trots aan te kijken.

Ik sloot nog wat mijn ogen.

 

“Jacoja!”, riep Marcel plots.

“Ja, Marcel”, zei ik vriendelijk.

“Ik heb één gevonden”, zei hij trots.

“Allé, vertel hem maar”, antwoordde ik.

“Het zal weer een vuile zijn”, zuchtte Kaat.

 

Marcel begon te vertellen :

“Er was eens een boer en hij koopte een nieuwe haan”.

“Waarom?”, vroeg Kaat, hem onderbrekend.

“Laat mij toch vertellen, Kalle”, riep Marcel het uit.

“Allé, waarom, schatje”, vroeg ze lief.

“Omdat de oude versleten was”, zei Marcel droog.

 

“In de winkel zegden ze die haan heeft veel goesting”, vervolgde Marcel.

Hij knipoogde naar me.

Ik knikte dat ik het begrepen had.

“Allé, haan was gelijk Marcel”, zei Kaat lachend.

 

“Kalle, laat mij voortvertellen”, zei Marcel streng.

Ik zat hen lachend te bekijken.

“Wat een vrolijke mensen”, dacht ik, een tikkeltje jaloers.

 

Marcel vertelde verder :

“Wel, die haan knipte op de eerste nacht alle kiekens.

Alle ganzen. Alle kalkoenen. Allé, alles wat pluimen had”.

“Jawadde”, lachte Kaat.

“Een superhaan!”, riep ik enthousiast.

Marcel glunderde.

 

“Maar de boer kwam zeggen tegen de haan dat niet kon zijn.

Je gaat je doodwippen”.

Marcel stak waarschuwend zijn vinger in de lucht bij deze woorden.

“De haan trekte zich daar niet van aan en pakte nog rap de zwanen ook”, vertelde Marcel verder.

 

“De zwanen? Die boer had toch geen zwanen”, vroeg Kaat doodserieus.

Marcel zat haar verward aan te kijken.

“Het waren de zwanen van de buurman, Kaat”, zei ik vlug.

“Juist, Jacoja”, zei Marcel beslist.

 

Het werd stil.

Marcel zat diep na te denken.

Kaat zat naar buiten te staren.

“En?”, vroeg ik voorzichtig aan Marcel.

 

“A ja”, zei hij.

“De volgende morgen ligt die haan daar dood op de mesthoop.

Er vliegen vogels boven…”, twijfelde Marcel.

“Euh, dinges,…” zei hij aarzelend.

“Kraaien!”, riep Kaat.

“Ba neen, zot, geen kraaien”, zei Marcel nadenkend.

“Vogels die andere beesten opeten”, vervolgde hij.

“Ha!”, zei ik, “gieren, bedoel je”.

 

Marcel keek me dankbaar aan.

“Gieren, ja! Van die grote beesten, Kaat. We hebben ze gezien in Zoo!”, zei hij.

“De boer gaat naar de haan en zegt zie wel dat je doodgewipt bent”, vertelde hij verder.

 

Kaat zat hem met grote ogen aan te kijken.

Ik kon mij niet meer inhouden van het lachen.

Marcel begon ook te schateren van het lachen.

“Maar is nog niet gedaan, hé!”, riep hij.

“Zwijgt zei de haan, subiet komen ze naar beneden”, riep Marcel luid.

Kaat zat hem onverstoord te bekijken.

Na een paar minuten begon ook zij te giechelen.

 

De verdere reis vertelden we om beurt een mop.

De één al beter dan de andere.

We hadden samen veel plezier.

 

We kwamen aan in Gent.

Ik trok mijn Mephisto’s weer aan en pakte mijn rugzak.

“Meneertje Jacoja moet afstappen?”, informeerde Kaat.

“Ja, Kaat, ik ga naar huis, naar mijn vrouwtje”, antwoordde ik.

Ze keek eventjes heel triestig.

“Dag Kaat”, zei ik zacht.

“Dag Marcel”.

Ik schudde hem de hand en gaf Kaat een dikke zoen op haar wang.

 

Toen ik afgestapt was en hun raam passeerde was Kaat weer zoentjes aan het geven.

Marcel zat er zichtbaar van te genieten.

“Manten en Kalle. Lieve, lieve mensjes”, dacht ik vertederd.


19:41 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (7) | Email dit |  Facebook |

11-02-05

Quit beefing!

 

Ha!

Een cursiefje schrijven!

Dat is lang geleden, ik heb er zin in!

De woorden wemelen in mijn hoofd van de goesting!

Ze staan te dringen als kleine kinderen : “ik wil eerst, ik wil eerst,…”.

Allé, ik zal er maar een paar uitlaten.

Te veel woorden in je hoofd is voor niets goed.

 

Ik zal eens een schoon treinverhaal vertellen.

Het is gisteren gebeurd.

Gisteren maakten mijn vrouwtje en ik een uitstap.

“Hup, Jacoja”, zei ze, “jij moet dringend eens buitenkomen”.

Na twee maanden liggen krampen met een zere rug was dat inderdaad eens nodig.

 

We besloten met het openbaar vervoer naar Brugge te gaan.

Rustig aan, wat rondwandelen in de stad en geregeld wat zitten.

Van terras naar terras, was de bedoeling.

 

We keken al wat beteuterd toen we wakker werden : het regende pijpenstelen.

Niet zo maar wat miezeren!

Dikke, vette stralen regenwater vielen naar beneden.

Het zag er naar uit dat het voor de hele dag was.

 

Ik stond vertwijfeld naar buiten te kijken.

Mijn vrouwtje kwam naast me staan.

“Komaan, Jacoja, we laten ons niet doen door een beetje regen, hé”, zei ze dapper.

“Kom maar op, regen!”, riep ik.

Het kletste nu met emmers tegelijk naar beneden.

“Ik zou beter mijn mond houden”, dacht ik geschrokken, “subiet loopt mijn kelder weer onder!”

 

We trokken beiden ons nieuwe regenpak aan.

Een regenbroek, een regenjas en gummi laarzen.

Absoluut waterdicht.

Opgetuigd als maanreizigers wandelden we blijgezind naar de bushalte.

“Ik wil wel wat huppelen”, zei ik spijtig, “maar ik kan niet met mijn rug”.

“Niet van aantrekken, Jacoja”, antwoordde mijn vrouwtje, “ik huppel wel voor twee”.

Zo huppelde ze in haar regenpak een paar passen voor mij uit.

Ik kreeg er al bijna de slappe lach van.

 

Na een busrit van twintig minuten kwamen we in het station van Gent.

Het goot water dat het geen naam had.

We stonden druipend naar het bord met de vertrektijden te kijken.

“Ik hou wel van die klapperende lettertjes”, zei ik tegen mijn vrouwtje.

“Ze moesten af en toe eens een gedicht op dat bord zetten”, antwoordde ze.

“Lap”, dacht ik, “tot zo ver wéér een schitterend idee van mijn vrouwtje”.

De NMBS zou nogal wat klanten meer krijgen moest het van mijn vrouwtje afhangen!

Misschien kan ik wel ‘treindichter’ worden?

Ze hebben nu toch al ‘stadsdichters’ en ‘beekdichters’?

Waarom dan geen ‘treindichter’?

 

Naast ons stond een lange, magere man naar het bord te kijken.

Hij poetste verwoed zijn bril, maar het had niet veel zin.

De bril blééf bedampen.

“Waar moet je naar toe, maat”, vroeg ik hem, behulpzaam als altijd.

Hij lachte.

“Klote Belgisch weer”, riep hij.

“Zie me hier nu staan! Ik zie geen bal meer door mijn bril! Dit land heeft een luchtvochtigheid van negentig procent!”, vervolgde hij.

“Ja, alsof je voortdurend in een koud stoombad leeft”, antwoordde ik.

 

“Ik moet naar Brugge”, zei de man.

“Kom dan maar mee, wij ook”, antwoordde mijn vrouwtje.

Onderweg naar het perron maakten we kennis met elkaar.

“Aangenaam, Jacoja, met zo veel woorden in zijn hoofd”, zei ik.

“En ik ben zijn vrouwtje”, zei mijn vrouwtje.

“Aangenaam, Pierre, mariene bioloog”, zei de man.

 

We moesten nog enkele minuten wachten op het perron voor de trein kwam.

De regen waaide in vlagen over het perron.

Pierre was doorweekt.

“Belgen”, zei hij, eerst een gulpje regenwater uitspuwend, “zullen binnen enkele honderden jaren zwemvliezen tussen hun vingers en tenen hebben. Pure evolutieleer”.

 

De trein kwam luid sissend tot stilstand.

We stapten op.

Mijn vrouwtje en ik trokken ons regenpak uit.

Dat was niet zo makkelijk : je moet namelijk eerst die laarzen uittrekken vóór je de broek uittrekt!

Net dát hadden we beiden vergeten, mijn vrouwtje en ik.

Het waren dus nogal toestanden.

Pierre moest ons op den duur bevrijden uit een nat kluwen van broeken, laarzen en vesten.

“Jullie zijn me er ook twee”, lachte hij.

 

Eindelijk zaten we rustig op onze plaats, tegenover Pierre.

“Zo, Pierre, jij bent mariene bioloog”, opende ik het gesprek.

“Wat moet ik me daar bij voorstellen? Zee-egels tellen? Mossels proeven?”, lachte ik.

Ik kreeg een pijnlijke stomp in mijn ribben van mijn vrouwtje.

“Jacoja”, zei ze streng, “lach eens niet met die mens!”

 

“Laat maar”, zei Pierre, “ik kan daar tegen, hoor”.

“Ik ontwikkel voeders voor kweekvissen”, zei hij.

“Zeebrasem, zeebaars, paling, zalm, forel, …, noem maar op, we kweken het allemaal”, vertelde hij.

“Mmm, zeebaars!”, riep ik.

“Ja”, zei Pierre, “die zeebaarzen die ik verleden week in Gent op de markt zag liggen worden gekweekt in Griekenland”.

“Met onze voeders”, zei hij trots.

 

Pierre vertelde dat hij de hele wereld rond reisde, om ondersteuning te bieden aan viskwekers.

Hij zat voortdurend in Indië, Pakistan, Brazilië, Panama,…

Hij woonde in Spanje en hij werkte bij een Belgische firma.

Een wereldburger, die Pierre!

 

“Maar het gaat niet zo goed met onze sector”, vervolgde hij nadenkend.

“Wat scheelt er aan? Die kweekvis is toch super lekker?”, vroeg mijn vrouwtje.

“Vooroordelen”, zei Pierre beslist.

“Mensen denken dat we die vissen kweken met brol. Met kleurstoffen en zo”, vertelde Pierre.

“Terwijl dat nondedju geen waar is”, riep hij vertwijfeld.

“Weet je dat de kleurstof in de gekweekte zalm gewoon caroteen is? Een natuurlijk product! Afkomstig van wortels nondedju!

Onze visjes worden vertroeteld met lekker, gezond eten! Ze leven in een omgeving zonder stress, in veel zuiverder water dan wilde vissen! Trouwens, die wilde zeevis is ongeveer opgevist”.

Pierre poetste nadenkend nog eens zijn bril. De dampen van onze regenkleren hadden de warme wagon gevuld.

We zaten wéér in een soort stoombad.

 

“Vis eten is gezond, dat staat vast”, zei ik.

“Ik las laatst dat vis enorm veel Omega3 en zo bevat”, vervolgde ik.

“En ik heb het geluk dat mijn vrouwtje waanzinnig lekker vis kan klaarmaken”, zei ik blij.

Pierre keek geïnteresseerd.

Mijn vrouwtje lachte.

“Gewoon een kwestie van de goeie pan hebben”, zei ze.

“Ja, dat zal wel”, zei Pierre.

“Komaan, vertel!”, spoorde ik haar aan.

 

De rest van de reis leek verdacht veel op een kookcursus.

Pierre en mijn vrouwtje discussieerden over pannen en kruiden.

Over de temperatuur van de olie bij het bakken van vis.

Ze waren eensgezind dat olijfolie veel gezonder bakt dan boter.

Maar dat boter dan weer meer extra smaak geeft aan de vis.

Dat een vis twee keer moet zwemmen : één keer in het water en één keer in de pan.

Ik zat te genieten.

Het water kwam me in de mond bij hun levendige beschrijvingen.

 

Toen we in Brugge aankwamen hielp Pierre ons in ons regenpak.

“Eerst de broek en dán de laarzen”, zei hij wijs.

Aarzelend namen we afscheid.

“Euh, Pierre, viskwekertje, het ga je goed”, zei ik.

 

Pierre keek ons lachend aan.

“Ik weet hier in Brugge een goed visrestaurantje”, zei hij.

“Wat zouden jullie denken van een lekker visje over de middag?”, vroeg hij.

Ik keek verwachtingsvol naar mijn vrouwtje.

Ze knikte goedkeurend.

“ ’t Is goed, Pierre”, zei ze, “we zullen er zijn”.

Quit beefing, eat seafood”, scandeerde ik en we stapten af.

Pardoes in een enorme plas van wel tien centimeter diep.

 

Pierre stond beteuterd naar zijn schoenen te kijken.

Mijn vrouwtje en ik sprongen vrolijk op en neer, blij eens in een diepe plas uit te stappen.

“Ik ga wat rusten in mijn hotel”, zei Pierre hoofdschuddend.

“Tot vanmiddag, in drogere omstandigheden”, riep hij.

 


19:53 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (12) | Email dit |  Facebook |

08-02-05

Zonder woorden

Elke dag, omstreeks zonsondergang, fiets ik een half uurtje in de Ossenmeersen.

“Dat fietsen is goed voor je rug”, zegt mijn dokter.

De Ossenmeersen zijn een natuurgebied, vlak bij mijn deur.

Het is er sprookjesachtig mooi.

Om je te laten meegenieten heb ik afgelopen week een korte fotoreportage gemaakt.

 

(Zet je boxen wel aan.)

Klik op onderstaande link.

De reportage wordt gedownload naar een tijdelijke map als je “openen” klikt.

Ze duurt drie minuten.

Zo. De tijdelijke schrijfstop doet deugd, moet ik zeggen.

See ya.

 

zonder woorden


10:30 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (9) | Email dit |  Facebook |

04-02-05

Rugpijn.

Een maand of twee geleden strompelde ik weer eens de trein op in Brugge.

Ik had afschuwelijke rugpijn.

Een hele dag rechtstaan op het werk had daar geen goed aan gedaan.

Kreunend stapte ik op.

 

Zwetend van de pijn zocht ik een plaats tussen het plebs in tweede klasse.

Voorzichtig zette ik mijn rugzak in het bagagerek.

Bij die beweging schoot een zenuw tussen mijn wervels.

Ik kon daar moeilijk zo blijven staan, met mijn beide armen in de lucht.

Dat was geen zicht.

Langzaam liet ik mijn armen zakken.

Er kraakte iets vervaarlijk in mijn rug.

Een oudere vrouw zat mij bezorgd te bekijken.

 

Ik probeerde te gaan zitten.

Telkens ik bijna de bank raakte, sprong ik weer op van het zeer.

Na een poging of vier gaf ik het op.

“Ik blijf wel in het gangpad staan”, zei ik tegen de vrouw.

 

“Heb je daar al lang last van?”, vroeg de vrouw vriendelijk.

Ik besloot mij eerst netjes voor te stellen.

“Aangenaam, Jacoja, met zo veel woorden in zijn hoofd”, zei ik.

“En zo veel pijnlijke spieren in zijn rug”, lachte de vrouw.

“Ik ben Cara”, zei ze.

“Cara?”, dacht ik verwonderd, “wat een rare naam!”

 

“Ja, Cara, het wordt met de dag erger”, vertelde ik.

De trein schokte en ik viel bijna flauw.

“Shit”, dacht ik, “dit gaat niet goed!”

 

Ik bekeek Cara eens goed.

Ze was een kleine, tengere vrouw van middelbare leeftijd.

Ze had lang, grijs haar en ze droeg een brilletje met ronde glazen.

Ze had een haakneus om U tegen te zeggen.

 

“Shit”, dacht ik, “die gaat naar een heksenmeeting zeker?”

Ik keek al naar het bagagerek, op zoek naar een bezem en een punthoed.

 

Cara keek me recht in de ogen.

Ze straalde een vreemd soort rust uit.

Ik werd er helemaal kalm van.

 

“Momentje”, zei ik.

Ik bewoog mijn schouders in een poging om mijn rug te ontspannen.

Het werd alleen maar nóg erger.

Ik keek ondertussen scheel van de pijn.

 

Cara stond recht.

“Draai je eens om”, zei ze.

 

“Wat krijgen we nu?”, dacht ik, “Gaat ze mij betoveren?”

Ik draaide mij met mijn rug naar haar toe.

Ik spitste mijn oren, klaar om bij het minste teken van een bezwering naar een andere wagon te rennen.

“Subiet verandert ze me in een kikker”, dacht ik bang.

 

Ik voelde twee warme handen op mijn schouders.

Dwars door mijn kleren heen voelde ik ze gloeien.

“Wow”, dacht ik, “dit doet deugd”.

De handen pakten mijn nekspieren vast.

Ze bewogen millimeter per millimeter.

 

Een miljard zenuwen snokten in mijn rug.

“Ademen vanuit je buik, Jacoja”, zei Cara zacht.

Ik sloot mijn ogen en concentreerde me.

“Allé, buik, ademen!”, dacht ik.

Langzaam ontspande mijn rug.

De pijn werd draaglijk.

 

“Ga nu eens voorzichtig zitten”, zei Cara.

“Ik durf niet goed”, antwoordde ik.

“Kom, probeer het maar”, zei ze lief.

Ze klopte met haar hand op de zetel voor zich.

 

Ik ging zitten.

Het lukte!

Bewonderend keek ik naar haar handen.

“Miljaar”, dacht ik, “die zijn goud waard”.

 

“Jacoja”, zei ze, “je zit verkeerd”.

Ik schrok.

“Hoe moet ik dan wel zitten?”, vroeg ik.

Cara toonde het me voor.

Ik moest helemaal vooraan op de bank gaan zitten.

Mijn rug rechten en mijn buik ontspannen.

Bekken naar voor kantelen.

Het voelde bijzonder goed.

“Dat ik daar zelf nooit aan gedacht heb”, dacht ik verwonderd.

 

Cara nam haar zwarte handtas.

Ze rommelde er wat in rond.

“Lap”, dacht ik, “subiet haalt ze hier een vette pad boven”.

“Je gaat me toch niet betoveren, hé, Cara?”, vroeg ik.

 

Cara giechelde.

Ze giechelde, griezelig als een echte heks.

Ik verstijfde.

Met haar vinger tekende ze een cirkel in de lucht.

“Circle of magic, circle of power”, zong ze.

 

“Relax, Jacoja”, zei ze, “ het is maar een grapje, hoor!”.

Ze rommelde verder in haar handtas.

Eindelijk vond ze wat ze zocht.

 

Ze gaf me een visitekaartje.

“Osteopathie”, stond er op te lezen, naast haar naam en een adres in Gent.

Ik zuchtte opgelucht.

 

“Kom eens langs op mijn praktijk, Jacoja”, zei ze vriendelijk.

“Ik kan het niet genezen, maar ik kan de pijn wel verlichten”.

 

We kwamen aan in Gent.

“Bedankt, Cara, voor wat je met mijn rug deed”, zei ik dankbaar.

“Graag gedaan, Jacoja”, antwoordde ze.

“Ik bel je op voor een afspraak”.

Met deze woorden nam ik afscheid.

 

Thuis vertelde ik dit verhaal aan mijn vrouwtje.

Ze stond te koken in de keuken.

 

“Ik ken die Cara”, zei ze, onverstoord verder roerend in haar potten.

“Van waar ken jij Cara?”, vroeg ik verbaasd.

“Wel, van onze Heksenkring”, antwoordde mijn vrouwtje.

“Waar denk je dat ik elke woensdagavond naar toe ga?”, lachte ze.

“Hi hi hi, ik ben een heks!”, riep ze, door de keuken lopend met een pan.

 

Hoofdschuddend ging ik mijn krant lezen.

Netjes op de boord van mijn stoel zittend, buik ontspannen en een rechte rug.

“Vrouwen!”, dacht ik content, “wat een boeiende wezens!”.


20:50 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (10) | Email dit |  Facebook |

03-02-05

Liefde

Een maand of vier geleden vertrok ik in Brugge, per trein, naar Gent.

Het was avond.

Ik was moe, maar aangenaam voldaan, van het vele werken.

 

Ik vond een plaatsje bij een oud koppel.

Een oude, grijze man en een oude, grijze vrouw.

Zeventigers.

Ze zaten rustig naast elkaar.

De vrouw zat dromerig naar buiten te staren.

De man zat met gekruiste armen uit te puffen.

 

Wat me opviel waren de handen van de man.

Hij had van die dikke, gespierde vingers, één en al eelt.

Werkmanshanden.

Handen die een leven vertelden.

 

Ik kroop achter mijn krant om eens lekker uit te blazen.

Vanuit mijn hoekje zag ik nóg een koppel.

Twee piepjonge mensen.

Pubers.

Ze zaten aan de overkant van het gangpad.

Ze zoenden dat het kraakte.

Discreet concentreerde ik mij weer op mijn krant.

 

“Miljaar”, dacht ik, “heb ik iets gemist?”

“Is het vandaag internationale koppeldag of zo?

Dat Valentijngedoe is toch maar in februari?”

 

Ik probeerde een artikel te lezen in mijn krant.

Dat lukte niet bijster door de geluiden van het jonge koppel.

Dat was me daar een gelebber!

“Ik zit nondedju in de trein der zuchten”, dacht ik geïrriteerd.

 

Ik deed nog een poging om me te concentreren op mijn krant.

“Sex maakt endorfine vrij in de hersenen”, stond er in vette letters.

Zuchtend plooide ik mijn krant dicht.

Dit had geen zin.

 

Ik keek naar de oude mensen voor me …

en mijn hart smolt.

Ze zaten dromerig, met een stralende glimlach, te kijken naar het jonge koppel.

“De jeugd, hé, Marie”, fluisterde de man zacht.

Hij pakte haar tengere hand en hield hem teder vast.

 

Een beetje beschaamd kroop ik weer achter mijn krant.

“Ik kan hier toch niet zonder blikken of blozen naar die mensen zitten kijken”, dacht ik.

Ik deed dus maar alsof ik de krant las.

 

“Weet je nog, Marcel, toen wij die leeftijd hadden”, hoorde ik de vrouw fluisteren.

Marcel lachte.

“Ja, Marie”, antwoordde hij op stille toon, “ik weet het nog”.

Gegeneerd kroop ik nog wat dieper achter mijn krant.

“Ja, mensen, ik kan wel achter mijn krant kruipen, maar ik blijf wel hóren, hé”, dacht ik.

Aan de overkant klonk weer een gesmak en gezoen dat het geen naam had.

 

“Hallo, meneer?”, riep Marcel plots.

Ik reageerde niet.

“Meneer?”, vroeg een lieve vrouwenstem.

Ik liet mijn krant zakken.

De twee oude mensen zaten me vriendelijk aan te kijken.

 

“Je moet je zo niet wegsteken, hoor”, zei Marcel, “ik begrijp dat dit een genante situatie is voor jou”.

“Laat ons wat praten, de reis is nog lang”, zei hij.

Opgelucht vouwde ik mijn krant weer op.

Ze was ver versleten van het open en dicht vouwen!

 

“Aangenaam, Jacoja, met zo veel woorden in zijn hoofd”, stelde ik mij beleefd voor.

Ik schudde hen beiden de hand.

“Zotteke”, lachte Marie, “woorden in je hoofd!”

 

 “In de bouw gezeten?”, wees ik Marcel op zijn handen.

“Ja”, zei Marcel met trots in zijn stem.

“Met deze handen”, zei Marcel, zijn beide eeltige voor me houdend, “heb ik veertig jaar gemetst”.

 “Hij heeft schone huizen gezet, Jacoja, je kunt dat niet geloven”, vulde Marie trots aan.

 

“Ik had geluk, Jacoja”, vervolgde Marcel.

“Ik moest nooit ver van huis om te gaan werken”, zei hij.

“ ’s Morgens was hij wel vroeg de deur uit”, vertelde Marie, “maar ’s avonds was hij altijd om vier uur thuis”.

“ ’ s Avonds was ik altijd bij mijn vrouwtje”, zei Marcel.

Hij keek haar verliefd aan en kneep eens in haar hand.

 

Plots viel me iets op.

Ik spitste mijn oren.

Het was stil aan de overkant!

Ik keek naar het jonge koppel.

Marcel en Marie volgden mijn blik.

 

Het jonge koppel zat met open mond en met glazige ogen naar ons te luisteren.

De jongen kneep in het meisje haar hand.

 

Ik keek weer naar Marcel.

Hij knipoogde naar mij.

“Wij zijn straks vijfenvijftig jaar getrouwd, Jacoja”, zei hij.

“Ik was zestien toen we trouwden”, fluisterde Marie ondeugend.

“De pastoor wilde ons niet trouwen”, lachte Marcel, “maar hij kon de boom in!”.

 

Gedurende de rest van de reis bleven Marie en Marcel vertellen.

Ze vertelden een mooi  verhaal.

Een verhaal van liefde en eenvoud.

Het bleef stil aan de overkant.

Het jonge koppel zat ademloos te luisteren.

 

In Gent nam ik afscheid.

Ik schudde Marcel de hand.

Even dacht ik dat hij de mijne zou breken.

Ik gaf Marie een zoen.

“Het ga jullie goed”, zei ik nog.

“Jou ook, Jacoja”, zei Marie.

 

“Lebber lebber lebber”, pestte ik de jonge gasten bij het passeren.

Ze lachten.

 

Toen ik thuis kwam vertelde ik dit verhaal aan mijn vrouwtje.

“Amaai, vijfenvijftig jaar!”, riep ze.

Ze begon snel te rekenen.

“Dat halen wij niet meer, Jacoja”, zei ze spijtig.

 

Ik pakte haar eens dicht.

“ ’t Is niet alleen de kwantiteit die telt, meisje, ’t is ook de kwaliteit”, troostte ik haar.

“Kwantiteit, kwaliteit, …”, herhaalde ze.

“Etenstijd, ja!”, riep ze en ze wees naar de keukenkast.

 

Welgezind dekte ik de tafel.

“Samen oud worden”, mijmerde ik, “is het schoonste geluk dat er bestaat”.


20:19 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (14) | Email dit |  Facebook |

01-02-05

Sjalom!

Vrijdag 24 september 2004.

Ik stapte in Brugge op de trein naar Gent.

Op vrijdagavonden is het meestal erg druk op de trein.

Ik was blij dat ik een plaatsje vond.

 

Recht tegenover me zat een man van middelbare leeftijd.

Hij zat ijverig in een boek te lezen.

Hij had een lange, grijze baard en twee vlechtjes.

Hij was helemaal in het zwart gekleed.

Hij was een Jood.

 

Ik pakte mijn Wiskundeboekje uit mijn rugzak en begon te lezen.

Nu ben ik al altijd bijzonder geïntrigeerd geweest door de Joodse gemeenschap.

Ik heb daar al één en ander over gelezen en het boeit me mateloos.

Ik besloot mijn kans te wagen.

 

Ik dacht eens goed na over een openingszin.

“Hoe pak ik dat hier best aan”, zat ik te twijfelen achter mijn boek.

Misschien sprak hij wel Hebreeuws en verstond ik hem niet!

Ik wist van geen kanten hoe ik aan een gesprek met de man zou beginnen.

 

Ik zat nog wat te piekeren toen de man plots met één vinger mijn boekje naar beneden duwde.

Hij keek me recht in de ogen.

“Praat”, zei hij, “ik zal niet bijten”.

 

“Euh, hoe…”, stamelde ik, “weet u dat ik met u wilde praten?”

“Ik ben al dertig jaar psycholoog.

Na dertig jaar kan je wel één en ander afleiden uit het gedrag van iemand, vriend”, zei hij.

 

Ik haalde opgelucht adem.

“Aangenaam, Jacoja, met zo veel woorden in zijn hoofd”, stelde ik mezelf bedeesd voor.

De man schudde mijn hand.

Een warme hand.

Een hand vol vertrouwen.

“Aaron, betekent “hoge berg””, antwoordde de man.

Hij sloot zijn boek en keek me aan.

 

“Morgen, Jacoja, is een zeer bijzondere dag voor de Joodse mensen”, zei hij.

Ik knikte begrijpend.

“Ja, Aaron, morgen is het weekend!”, riep ik enthousiast.

Aaron lachte.

 

“Dat is juist, Jacoja”, zei hij minzaam.

“Maar voor de Joodse mensen is er toch wel méér aan de hand”, vervolgde hij.

Ik was benieuwd.

“Ten eerste, is het morgen zaterdag.

Straks, Jacoja, wanneer de zon ondergaat, begint voor ons de Sjabbat”, sprak hij.

“De Sjabbat duurt tot morgenavond wanneer de zon weer ondergaat”.

 

“Is dat geen rustdag of zoiets”, vroeg ik aan Aaron.

“Juist, Jacoja. De Sjabbat is een dag waarop er niet gewerkt wordt.

Het is onze plicht om op die dag na te denken, de zieken te bezoeken en eens gezellig met heel de familie samen lekker te eten”, vertelde Aaron.

“Mmm”, zei ik nadenkend, “het is goed leven als je weet welke je plichten zijn”.

Ik verschoot van mezelf!

 

“Ja, maar”, zei ik twijfelend, “wie kookt er dan? Koken is toch ook een vorm van werken?

Mijn vrouwtje staat altijd te zweten in de keuken!

Dat is dus werken, hé, als je er van zweet!”

Aaron keek me vriendelijk aan.

“Het koken gebeurt op vrijdag, Jacoja. De afwas blijft staan tot zondag”, antwoordde hij.

“We gebruiken trouwens geen elektriciteit op de Sjabbat. Ook de vaatwas blijft uit.”, besloot hij.

 

“Nu, het bijzondere is dat het morgen ook Yom Kippoer is”, zei Aaron.

“Concreet betekent dat : vasten”.

Hij keek toch een beetje spijtig.

Ik zou ook spijtig kijken mocht ik een dag niet mogen eten!

“Ook geen alcohol?”, vroeg ik hem voorzichtig.

“Noppes”, bevestigde hij laconiek.

“En, euh, …”, probeerde ik.

“Ah, van een dagje zonder sex ga je niet dood, Jacoja”, lachte Aaron.

“Het is de grote verzoendag, een feestdag die valt op de tiende dag van de maand Tisjri”, vertelde hij verder.

 

“Juist!”, zei ik, “jullie hebben ook een andere kalender”.

“Op 4 oktober begint het jaar 5766”, zei Aaron.

“Dju toch, al die verschillende kalenders”, zei ik verwonderd.

“Is die baard ook verplicht?”, vroeg ik, onnozel wijzend naar zijn baard.

Hij lachte.

“Beter een rabbijn zonder baard dan een baard zonder rabbijn!”, antwoordde hij, een Joods spreekwoord citerend.

 

“Morgen gaan we ook bidden in de Synagoog”, vertelde Aaron verder.

“En ’s avonds worden de slachtoffers van de Sho’ah herdacht”.

Bij deze woorden werd Aaron ernstig.

 

Ik legde mijn hand op de zijne.

“Heb je veel familie verloren, Aaron?”, vroeg ik zacht.

Hij keek me aan met zijn ogen vol tranen.

“Bijna iedereen, Jacoja. Mijn grootouders, mijn vader, mijn tante, mijn nichtjes”, zei hij.

 

Hij droogde zijn ogen met een witte zakdoek.

Ik zat daar, met een krop in mijn keel.

 

Aaron lachte al weer.

“Wie is hier eigenlijk de psycholoog?”, vroeg hij.

 

“Mijn vader stierf in Buchenwald”, vertelde hij triest.

 

“Jedem das Seine”, zei ik zacht.

 

Aaron keek me verwonderd aan.

“Weet jij daarvan, Jacoja?”, vroeg hij.

 

“Dat was de spreuk die op de toegangspoort stond”, zei ik.

“De broer van mijn moeder is daar gestorven eind maart 1945, twee weken voor de bevrijding”, vertelde ik.

“Mijn grootvader heeft het kamp twee jaar overleefd.

Hij was politiek gevangene. Hij droeg een metalen plaatje met het nummer 49.899.

Hij is 85 geworden”.

 

“Dan hebben mijn vader en jouw grootvader samen in dat kamp gezeten!”, riep Aaron.

“De mijne had zijn nummer getatoeëerd op zijn arm”.

Hij kneep hard in mijn hand.

Ik kon geen woord meer uitbrengen.

 

We naderden Gent.

Er viel een vriendelijke, serene stilte.

Aaron en ik zaten zwijgend en droevig naar elkaar te kijken.

 

Aaron wreef nadenkend over zijn keppel.

“We leven in andere werelden, Jacoja.

Maar toch hebben we veel gemeen”, zei hij na een tijdje.

 

Ik stond op en pakte mijn rugzak.

“Het ga je goed, Jacoja”, zei hij zacht.

“Jou ook, Aaron”, antwoordde ik.

“Ik zal morgen voor je grootvader en je oom bidden”, zei Aaron.

“Ik zal dit gesprek nooit vergeten, Aaron”, zei ik en ik vertrok.

 

Toen ik thuiskwam stond de aperitief klaar.

Ik vertelde mijn vrouwtje van mijn ontmoeting op de trein.

 

“Wij gaan dat anders doen”, zei ze.

Ze hief haar glas en toostte.

 

“Op Aaron en zijn volk, dat zo geleden heeft”, zei ze plechtig.

“Op onze grootvaders”, toostte ik.

 

We waren erg kalm, die avond, mijn vrouwtje en ik.

Al was het maar één keer, één avond, het was voor ons ook Yom Kippoer.

 

Het idee voor dit cursiefje ontstond door de verjaardag van de bevrijding van Auswitch.

Buchenwald  werd bevrijd door de Amerikanen op 11 april 1945.

Ik wil dit cursiefje opdragen aan alle mensen die geleden hebben in concentratiekampen.


19:35 Gepost door jacoja Permalink | Commentaren (8) | Email dit |  Facebook |

Alle berichten