24-03-05
FIKS
Heden morgen moest ik wat brieven gaan posten.
Wat shit voor de verzekeringen en zo.
Ik besloot bus 3 te nemen, want die passeert aan de Post.
Welgezind stapte ik fiks naar de bushalte, een kleine vijfhonderd meter van ons huis.
De laatste dagen, dank zij mijn therapie en vooral dankzij de zon, stap ik al weer fiks.
Ik ben nondedju Zijne Fiksheid Zelve!
Toch voor vijfhonderd meter.
De hernia daar beneden is gekalmeerd en de “bulging” daar halfweg houdt zijn muil.
Blijft over : mijn nek.
Artrose en een wiplash van drie jaar geleden blijken niet zo’n leuke combinatie te zijn.
Ik heb ondervonden dat ik die nek wat rustiger krijg door voortdurend naar de grond te kijken.
Waarschijnlijk rek ik op die manier die wervels wat uit elkaar en hebben die zenuwen wat meer plaats.
Of zoiets.
Who cares?
Ik stapte dus fiks, met mijn ogen naar de grond gericht, richting bushalte.
Zo werd ik al meteen met een paar problemen geconfronteerd.
Doch, beste lezer, mijn emotionele toestand is heden dermate goed dat ik alras riep : “kom maar op, problemen!”
Ten eerste viel mijn bolhoed constant voor mijn ogen.
A ja.
Een bolhoed dient men te dragen op een fier gestrekte nek!
Na hem een paar keer van de grond opgeraapt te hebben vond ik vrij snel een oplossing.
Ik propte de bolhoed in mijn rugzak en vervolgde mijn weg, blij weer eens een probleem opgelost te hebben.
Trouwens, die rugzak : een aanrader voor mensen met rugproblemen!
Lekker warm op je rug én hij trekt je schouders wat naar achter, wat zeer bevorderlijk is voor de wervelstand.
Natuurlijk moet de rugzak enig gewicht bevatten.
Bij mij werkt het al met twee bakstenen.
Ten tweede kreeg ik een vrij dof gevoel in mijn voorhoofd.
Een paar verlichtingspalen verder begreep ik het probleem : door voortdurend naar de grond te kijken knalde ik om de twintig meter tegen een paal.
Ik stopte even om na te denken.
“Ha!”, dacht ik na vijf minuten, “ik loop gewoon in het midden van de weg!”
A ja.
Daar staan geen palen!
Zo gezegd, zo gedaan.
Blij alweer een probleem opgelost te hebben liep ik in het midden van de weg.
Het was zo’n typisch Gents straatje : kasseien en putten van een halve meter diep.
Een ongeduldige vier maal vier (in Gent kan je die wel gebruiken met al die putten) probeerde mij luid toeterend voorbij te steken.
“Vergeet het”, dacht ik en ik bleef halsstarrig (!) in het midden van de weg lopen.
Met de vier maal vier ongeveer aan mijn schenen geplakt, bereikte ik eindelijk het kruispunt en de bushalte.
De vier maal vier kon mij eindelijk voorbij en de bestuurder riep iets smerigs door zijn opengedraaide raam.
Het was in het plat Gents en dat begrijp ik niet.
Ik trok me er dus geen zak van aan.
Na een kleine tien minuutjes wachten, samen met zeven bijzonder mooie, hoofddoekloze Turkse meisjes, kwam de bus.
Door die meiden vergat ik even om naar de grond te kijken, wat mij enkele hevige nekkrampen kostte.
Maar dat had ik er voor over.
Ik ging pal voor de bus staan.
Ik controleerde het nummer : “drie”.
Een mens moet zeker zijn, hé, voor hij op een bus stapt!
Daarna stapte ik op.
Een abonnement tonen hoeft niet, in Gent.
Dat gedoe met dat controleren hebben ze hier al lang opgegeven.
Heb je dan eens een jaarabonnement, kijkt er niemand naar!
Op de bus bleef ik wat naast de chauffeur staan.
Het was niet zo ver naar de Post en ik maak graag eens een praatje met de bestuurder.
Het was een vriendelijke, grijze man van een jaar of vijfenvijftig.
Ik stelde mij netjes voor : “Jacoja, met zo veel woorden in zijn hoofd”.
Hij schudde mij de hand : “Aangenaam, Carlo”.
“Maar iedereen noemt mij ‘De Swa’ “, voegde hij er aan toe.
Hij zei één en ander in het plat Gents waar ik alweer weinig van verstond.
Ik dacht te begrijpen dat hij over een vereniging vertelde.
Ik antwoordde in het plat Brugs waardoor er algauw een vreemde conversatie ontstond.
Hij : “In ‘t veurjoar hèwd de Sosseteit zijn gruut joarlijks banket woar dan al d’ echte Gentenirs malkoar keunen tegenkomen op een goeie buikvullinge”.
Ik : “Ja zeg, je zie gie nogol ne diekedelvere!”
De zeven Turkse meisjes zaten ons met open mond aan te staren.
We draaiden een smal straatje in, vlakbij de Ossenmeersen.
Ik concentreerde mij weer op het “naar beneden kijken”.
Dat geeft best een raar effect : door de voorruit van een stadsbus naar beneden kijken.
“Onwaarschijnlijk”, dacht ik, “dit is een asfaltweg! Zonder putten!”
Plots riep ik luidkeels : “STOP!”
Carlo, allé, De Swa, stampte zijn voet op de rem en de bus stopte bruusk.
De zeven Turkse meisjes werden wat door elkaar geklutst, een paar oude vrouwtjes gleden languit door de bus en ik knalde met mijn voorhoofd tegen de ruit.
“Arm voorhoofd”, dacht ik, “het heeft vandaag wat te verduren!”
Carlo zat me vragend aan te kijken, het grote stuurwiel in zijn handen.
Ik wees naar buiten, naar de asfalt vlak voor de bus.
Hij stond half recht, zijn handen nog steeds op het stuur en keek naar de baan.
De zeven Turkse meisjes kwamen ook kijken.
De oude vrouwtjes waren nog niet rechtop geraakt.
De Swa zette de motor af.
“Schuun, Jacoja, schuun”, zei hij.
Hij opende de deur en we stapten met zijn allen uit.
De straat was bezaaid … met padden.
Honderden dikke, vette padden.
Ze kropen met zijn allen naar de overkant, richting Ossenmeersen.
Ik pakte er één op, de grootste.
Een pad van een kwart kilo.
“De natte droom van Catwezel”, dacht ik.
Ik hield hem op ooghoogte.
“Wel, meisje, wat is dat hier allemaal? Op weg naar de Ossenmeersen? Kindjes gaan maken?”, vroeg ik.
De pad kwaakte.
De Turkse meisjes giechelden.
“Komaan, Swa, werk aan de winkel!
Subiet komen die mannen met hun vier maal vier en zijn ze allemaal plat!”, riep ik.
We stroopten onze mouwen op en begonnen de padden over te zetten.
Na enkele padden gaf ik Swa onder zijn voeten : “Swa, nondedju, niet bukken om die beesten op te rapen!
Dat is zeer slecht voor de lage rug! Je moet door je knieën gaan, zoals ik, kijk!”
Ik demonstreerde traag, op Tai Tji - wijze het “door de knieën gaan om een pad op te rapen”.
De zeven Turkse schoonheden stonden langs te kant van de weg te kijken.
Aarzelend kwam er eentje dichterbij.
Ze ging door de knieën.
Het duizelde me.
Ze pakte een pad.
“Dat beestje heeft zo koud!”, riep ze naar haar vriendinnen.
“Vuurzichtig, meiske, met die lange nagels, wor!”, zei Swa.
De zes andere Turkse meiden kwamen helpen.
Een paar oude vrouwtjes strompelden eindelijk ook van de bus.
Met vereende krachten zetten we alle padden over de weg.
Ik zette per vergissing ook een oud vrouwtje over, maar ze kon er nog mee lachen.
Na een minuut of tien hard werken overschouwde Swa het asfalt.
“Kleir”, zei hij.
We stapten allemaal weer op.
De zeven Turkse meisje waren een geanimeerd gesprek aan het voeren met de oude vrouwtjes.
Ze hielpen hen vriendelijk de bus op.
Swa sloot de deuren en startte de motor.
We vervolgden onze reis.
Aan de Post stapte ik uit.
“Dag Jacoja”, riepen de zeven Turkse meisjes in koor.
Een paar oude vrouwtjes zwaaiden bibberig naar me.
“Tot de volgende keer, maat”, zei De Swa, dit keer in proper Nederlands.
Onder het fluiten van “Bullfrog Blues” (Rory Gallagher) stapte ik de Post binnen.
Ik bekeek mijn handen.
Smerig!
“Kan ik hier ergens mijn handen wassen?”, vroeg ik aan de loketbediende.
“Wat denk je dat dit hier is, meneer?
Een openbaar toilet?
Dit is de Post, man!”, riep de nukkige beambte.
“Welcome back to reality”, dacht ik zuchtend.
17:38
Gepost door jacoja
Permalink
| Commentaren (16)
| Email dit
|
Facebook
|
09-03-05
Onbeschrijflijk.
Begin december strompelde ik het station binnen in Brugge.
Kort daarvoor, was ik, totaal verhakkeld, uit de propvolle bus gevallen.
Rugpijn! Die rotbussen!
Ik zal er verder over zwijgen want het was onbeschrijflijk.
(Wanneer iets onbeschrijflijk is, dan kan je er beter niet over schrijven.
A ja!)
Beneden in de hall van het station zocht ik mijn weg tussen het volk.
“Loop mij nondedju niet zo voor de voeten”, sakkerde ik tegen een paar nozems.
Ze staken hun middenvinger naar me op, de smeerlapkes!
Perron zes, daar moest ik zijn.
Voetje voor voetje beklom ik, kreunend, de trap naar boven.
“Allé, Jacoja, nog zes trappen”, riep iemand me lachend toe, van achter de muur.
“Julien, nondedju, je moet niet met mij lachen”, riep ik kwaad terug, “of ik smijt je klak op de sporen!”
Zwetend nam ik de laatste trappen.
Julien, mijn favoriete NMBS-werkmens, stond me op te wachten, met een enorme grijns op zijn gezicht.
In zijn rechterhand hield hij een Leffeglas.
Met zijn linkerhand diepte hij, uit een zak van zijn grijze stofjas, een fles bruine Leffe op.
Met zijn tanden ontkroonde hij de fles.
“Oude macho”, dacht ik, toch wel een beetje bewonderend.
Ik durf dat niet echt proberen, met mijn tanden.
Met groot vertoon schonk hij de Leffe in het glas.
Hij bood me het glas aan.
“Hier, maat”, zei Julien.
“Vanaf nu elke dag een Leffe voor Jacoja, als dank voor het redden van de klak van mijn grootvader”.
(Mocht je niet weten waar ik het nu over heb, lees dan eerst dit cursiefje : KLAK)
Ik nam het glas aan.
Ik bekeek de schuimkraag waarderend.
Ik keek eens over mijn schouder naar de klok.
Er kraakte iets vervaarlijk in mijn nek bij die beweging.
“Nog een kwartier voor mijn trein komt”, dacht ik, “die Leffe zal smaken!”
A ja, een Leffe moet je tráág drinken, hé.
“Merci, Julien”, bedankte ik hem, “na een zware werkdag kan dat nondedju smaken!”
Ik nam een ferme slok en zette het glas vervolgens op de muur naast de trap, vlak naast de borstel van Julien.
Julien rolde op zijn gemak een sigaret.
“Pas op, hé, Jacoja!”, zei hij ferm.
“Ik doe hier overuren, hé!”, vervolgde hij.
Hij kon zijn lach niet inhouden, de oude zot.
Doorheen de rookwolken, veroorzaakt door de frietzak van Julien, zag ik een man.
Hij stond ons van op een paar meter afstand te bekijken.
“Shit, wat een depressie”, dacht ik.
De man stond daar zó triestig te kijken.
Alsof hij elk moment in wenen kon uitbarsten.
Ik schatte hem op een jaar of vijftig.
Een ambtenaar, duidelijk.
Hij droeg een wat verfrommeld, zwart maatpak en hij hield een aktetas in zijn hand.
Grijs haar, een grijze, onverzorgde baard en een kanjer van een bril op zijn neus.
Met neerhangende schouders stond hij daar depressief te wezen.
Ik had meteen een zwak voor de man.
“Julien?”, vroeg ik.
Ondertussen zocht ik Julien tussen de dichte mistflarden die hij ontwikkelde met zijn sigaret.
“Verdomme, Julien!”, riep ik, “stop eens met blowen, man, straks zie ik de trein niet meer komen!”
Julien schoot zijn peuk naar het perron aan de overkant van de sporen.
De mensen op perron zeven stoven uit elkaar.
“Julien! Subiet denken die mensen dat hier een terreuractie aan de gang is!”, riep ik.
Julien keek me rustig aan.
“Wa?”, vroeg hij, nog dommer kijkend dan anders.
Ik dronk nog een slok Leffe.
Ik draaide mijn rug naar de triestige man, zodat hij niet zou zien dat ik over hem bezig was.
“Julien, die vent daar”, begon ik, met mijn duim over mijn schouder wijzend.
Julien keek eens demonstratief over mijn schouder naar de man.
“Ha!”, zei hij, “dat is de Eenzame Fluisteraar!”
Ik bekeek Julien met grote ogen.
“Fluisteraar?”, antwoordde ik.
“Ja, die vent heeft iets aan zijn stem, denk ik”, zei Julien.
“En bepaald vrolijk is hij ook niet”, vervolgde hij.
Vastbesloten om kennis te maken met de arme, droevige man draaide ik mij om.
Ik stond al klaar om mij voor te stellen : met uitgestrekte arm om hem de hand te schudden!
Ja, ik stond daar mooi voor aap!
De man was verdwenen!
Kwaad keek ik naar Julien.
“Je hebt hem weggejaagd, Brugse zot!”, riep ik.
Julien lachte.
“Nee, hoor, Jacoja, die vent verschijnt op de gekste momenten en hij verdwijnt in het niets”.
Hij haalde zijn schouders op.
“Trouwens…”, hij wees in de verte, “daar komt je trein”.
Ik gaf het Leffeglas terug aan Julien en bedankte hem nog eens uitvoerig.
Julien stak het glas in een zak van zijn grijze stofjas.
“Geen dank, Jacoja”, zei hij, “ik sta hier voortaan elke dag met een glas”.
Ik keek nog eens rond me, maar de Eenzame fluisteraar was nergens meer te zien.
Bezorgd nadenkend stapte ik op de trein.
Julien nam zijn bezem en vertrok sloffend richting trap.
Ik nam plaats en keek door het raam.
Een paar sporen verder zag ik de Eenzame Fluisteraar depressief op een trein stappen.
Hij keek nog even om, recht in mijn gezicht.
Alvorens mijn trein vertrok, kon ik nog nét zien dat hij weende, de arme man.
Ja, lieve lezers, ik weet het. De Eenzame Fluisteraar verdween op mysterieuze wijze uit dit verhaal. Nog vóór hij ook maar een woord kon fluisteren! Maar geen nood! Hij komt terug! Hij komt terug met een onbeschrijflijk verhaal… (wordt vervolgd).
20:24
Gepost door jacoja
Permalink
| Commentaren (10)
| Email dit
|
Facebook
|
08-03-05
Beleefdheid.
Ik volg al een tijdje “fascia-therapie”.
Dat is zo’n beetje mediteren en ondertussen zéér traag bewegen.
Vergelijk het met het Chinese Tai Tji, maar dan op zijn Frans.
De beweging die we leren heet “Fleur”.
Ik kan er met de beste wil van de wereld geen bloem in ontdekken, maar soit.
Het doet wel deugd en dat is het belangrijkste.
Ik heb daar geleerd dat er bepaalde bewegingen zijn, die pijn uitlokken.
Zo mag ik eigenlijk mijn armen niet te hoog heffen.
Alles boven schouderhoogte veroorzaakt pijnlijke krampen in mijn bovenrug.
Ik denk daar vaak vrij paniekerig over na.
Stel dat ik nu bijvoorbeeld eens een Amerikaanse basketter zou tegenkomen op de trein.
Zo’n vent van twee meter dertig.
Ik zou die man zijn hand dus niet kunnen schudden!
Dat is veel te hoog!
Shit, zeg.
Ik vind dat wel een probleem.
Dat is erg onbeleefd : geen hand schudden.
Je staat daar dan : “Aangenaam, Jacoja, met zo veel woorden in zijn hoofd”.
En je kan geen hand schudden!
Stel je voor!
Eigenlijk zou ik moeten een hoed dragen.
Dan kan ik beleefd mijn hoed afnemen, wanneer ik een Amerikaanse basketter van twee meter dertig tegenkom.
Een hoed afnemen doe je niet met een gestrekte arm, vandaar.
“Aangenaam, Jacoja, met zo veel woorden in zijn hoofd”, kan ik dan zeggen.
Vervolgens kan ik dan mijn hoed afnemen, aldus mijn hoofd tonend met al die woorden in…
Da’s pas klasse!
Het probleem is natuurlijk : welk soort hoed moet ik dragen?
Ik kan daar toch moeilijk met een Stetson rondlopen, op het perron.
Of met zo’n Tirolerhoedje!
Zie je mij al lopen?
Wat zou die Amerikaanse basketter van twee meter dertig wel denken?
Dat hij in Zwitserland is?
Neen, als de keuze aan mij ligt wordt het een bolhoed.
Zo’n klassieke, zwarte, Engelse bolhoed.
In mijn ogen is dát pas klasse!
Ik zal dat natuurlijk eerst eens met mijn vrouwtje bespreken.
Zij gaat over mijn decorum, bij ons thuis.
Misschien moet ik van haar wel een klak dragen.
Alhoewel, zo’n bolhoed, met dit nummer van Joe Cocker erbij…
Je ziet : ik kom er wel uit.
Het was een vrij ingewikkelde logische redenering maar het resultaat mag er zijn.
Wanneer je in het vervolg ergens in een station een man tegen komt met
a) een grijze thermos
b) een zwarte bolhoed
en c) je bent kleiner dan één meter vierenzeventig,
dan mag je me de hand schudden.
Ik zal je beleefd begroeten met “Aangenaam, Jacoja, met zo veel woorden in zijn hoofd”.
Mocht je een Amerikaanse basketter van twee meter dertig zijn, ik zal voor jou mijn hoed afnemen.
Zo. Ik ben nu rap weg naar de fascia-therapie. De bloem gaan uithangen.
19:15
Gepost door jacoja
Permalink
| Commentaren (15)
| Email dit
|
Facebook
|
03-03-05
Taa àh ha à
Het zijn barre tijden.
Tijden vol sneeuw en andere plakkerigheid.
Ik kan daar niet goed tegen.
Bij dit weer heb ik nog méér pijn.
Ik heb me voorgenomen om, zo lang het sneeuwt, te schrijven over de zon.
Cursiefjes waar de hitte van afstraalt.
Alle beetjes helpen.
Het was vorig jaar, eind augustus.
Ik stond op het perron in Brugge te wachten op een trein.
Het zal rond vier uur in de namiddag geweest zijn.
Het was bloedheet.
Een staalblauwe lucht, temperaturen van rond de dertig graden.
Het einde van het perron verdween in een mist van opstijgende warme lucht.
Ik was in mijn sas!
Je kunt dat niet geloven.
Bij dergelijke temperaturen voel ik mijn rug namelijk niet.
Ik zweette wel als een rund, maar de energie stroomde door mijn lijf.
Ik trok mijn t-shirt uit en stond daar wat te zonnen in mijn onderhemd.
Pas op : ik draag geen witte onderlijven meer zoals Onslow in ‘Keeping Up Appearances’, hé!
Mijn vrouwtje wilde dat ik voortaan schone, zwarte onderlijvekes draag.
“Sexy!”, zegt ze.
Ze zorgt wel voor mijn decorum, mijn vrouwtje.
De zon brandde op mijn armen.
“Kom maar op”, riep ik, zo maar, tegen niets in het bijzonder.
Ik hoorde de roltrap starten.
Een vreemd individu kwam naar boven.
Ik bekeek hem eens goed.
Een grote, gespierde man, met een enorme map onder zijn arm.
Hij had heel lang, zwart haar en hij droeg een kralenband rond zijn hoofd.
Hij liep ook in een zwart onderlijf.
Zijn bicepsen waren euh, …, indrukwekkend.
“Oeps”, dacht ik, “ik hoop dat hij mijn ‘kom maar op’ niet te letterlijk neemt”.
“Dat is nondedju een Indiaan”, dacht ik, verwonderd naar zijn enorme haakneus starend.
“Wat een neus!”.
De man kwam sloffend, met gebogen schouders naar mij toe.
Hij zag er niet echt vrolijk uit.
Ik schudde hem de hand.
“Aangenaam, Jacoja, met zo veel woorden in zijn hoofd”, stelde ik mezelf beleefd voor.
Ik moest daarbij een heel eind naar boven kijken, de man was minstens twee meter lang!
“Aangenaam, Ben Lucero, Taa àh ha à”, antwoordde hij.
Ik fronste mijn wenkbrauwen.
Het eerste was in het Amerikaans, dat kon ik wel volgen.
Van wat hij verder vertelde begreep ik geen jota.
“Dat is mijn Indiaanse naam”, vertelde hij, “maar noem mij maar Ben”.
“Ik ben een volbloed Cherokee, de laatste van mijn stam”, vertelde hij.
“Allé”, zei ik, “ik ben een volbloed Westvlaming. Mijn stam wordt elk jaar groter.
Al krijgen we wel problemen met de vergrijzing”, zuchtte ik nadenkend.
Ben zette de grote map tegen de muur.
Hij ging op zijn hurken tegen de muur zitten.
Ik zette me naast hem, ook op mijn hurken.
Ik kreunde bijna van genot : die warme muur tegen mijn rug!
Lekker!!!
Ik wees nieuwsgierig naar de map.
“Vertel, Ben”, zei ik.
Hij trok zijn schouders op.
“Ik heb vandaag welgeteld één litho verkocht, Jacoja”, zei hij triest.
Ik spitste mijn oren.
“Litho’s?”, dacht ik benieuwd.
Hij pakte de map en opende ze.
Ik viel haast van mijn stokje.
In de map zaten schitterende litho’s met machtig mooie Native American taferelen op.
Ben was een groot tekentalent, dat zag je meteen.
Alle litho’s waren op A2-formaat.
Hij doorbladerde de litho’s en gaf er commentaar op.
Hij vertelde dat hij zijn herinneringen tekende.
Toen hij kind was leefde zijn stam nog in tipi’s, in een reservaat.
Dat soort taferelen schilderde en tekende Ben.
“Dit is mijn grootvader, Big Horse”, zei hij trots bij de laatste litho.
Het opperhoofd op de tekening was in vol ornaat met pluimen en een schild.
Hij keek trots in de verte.
Ik kreeg er koude rillingen van.
“Ben?”, vroeg ik, hem aankijkend.
“Waar verkoop je die litho’s?”.
“Wel”, antwoordde Ben, “ik ben hier geweest”.
Hij tekende met zijn wijsvinger een plattegrond van Brugge in het stof van het perron.
Ik kon uit zijn plan afleiden dat hij op de markt gestaan had, met zijn tekeningen.
“Ik moet litho’s verkopen, Jacoja”, vervolgde hij, “anders kan ik geen ticket kopen om terug naar huis te keren”.
Hij keek vertwijfeld.
“Misschien verkoop ik morgen in Gent wat meer…”, besloot hij depressief.
“Oké”, dacht ik, “werk aan de winkel”.
Ik pakte mijn Nokia uit mijn rugzak.
Ik belde mijn werk.
Onze blonde, bevallige secretaresse nam op.
“Morgen heb ik geen les en ik neem een dagje verlof”, zei ik.
Ze lachte.
“Ga je aan het strand liggen?”, vroeg ze.
“Nee, ik ga op stap met een indiaan”, antwoordde ik.
“Onnozelaar”, zei ze lachend.
“Het is genoteerd, Jacoja”, zei ze en ze hing op.
Ben zat me verbaasd aan te kijken.
Ik knipoogde naar hem.
Ik toetste een ander nummer in.
“Dag mams!”, riep ik, blij toen ze opnam.
Ben zuchtte diep.
“Zit die nu naar zijn moeder te bellen”, zag ik hem denken.
“Die hobbybeurs van de vrouwenbond, die begint toch morgen, hé?”, vroeg ik haar.
Mijn moedertje maakt beelden in klei, moet je weten.
Ze antwoordde bevestigend.
“Kom je, misschien?”, vroeg ze hoopvol.
“Dan kan je weer putten graven, in mijn hof!”, riep ze enthousiast.
“Ik kom en ik breng iemand mee”, zei ik beslist.
“En ’t is niet om putten te graven, ’t is om litho’s te verkopen”, vervolgde ik.
“Verwittig maar al je vriendinnen, want het is een schone vent!”.
Ik beëindigde het gesprek en stak de Nokia weer in mijn rugzak.
Ben keek me benieuwd aan.
“Morgen, Ben, gaan jij en ik samen naar de Westhoek”, zei ik.
Ik tekende een kaart van België in het stof op de grond en wees hem de Westhoek aan.
“Dát is ver!”, riep hij, onder de indruk.
Ik denk dat hij de schaal van mijn plan wat verkeerd inschatte.
“Daar kan je mogelijk al je litho’s verkopen”, vervolgde ik.
Op dat moment stormde de trein het station binnen.
Ben en ik stapten op.
Het was vreselijk warm in de wagon.
Tussen Brugge en Gent kocht ik de litho “Big Horse”.
Ben vertelde me trieste verhalen over reservaten en drank.
Hij vertelde me verhalen over een trots volk dat ten onder gegaan was.
Ben was een ernstige, wijze Cherokee.
“Ik zou ook niet écht meer kunnen lachen, mocht ik de laatste van mijn volk zijn”, dacht ik begripvol.
Die avond bleef Ben bij ons eten en slapen.
Mijn vrouwtje was content dat ik eens een Indiaan had meegebracht.
Ze haalde meteen haar kookboek met Indiaanse recepten erbij!
Het buffelvlees in het recept vervingen we maar door een stevige biefstuk.
We aten buiten, op het terras.
Het werd een avond om nooit te vergeten.
“Big Horse” hangt sedertdien boven mijn schouw.
Dertig andere litho’s van Ben hangen in de Westhoek, boven andere schouwen, in andere huizen.
Voornamelijk bij weduwen tussen de 60 en 70 jaar, van de vrouwenbond.
Ben Lucero reist nog geregeld door Europa met zijn litho’s.
Mocht je hem eens tegenkomen, doe hem de groeten van Jacoja, zijn vrouwtje en zijn moedertje.
En van de vriendinnen van zijn moedertje… VOORAL van de vriendinnen van zijn moedertje…
20:44
Gepost door jacoja
Permalink
| Commentaren (13)
| Email dit
|
Facebook
|





