13-04-05
Slunsenmarsjang.
Heden middag verliet ik mijn werk in Brugge.
Ik was moe, maar voldaan, van het vele halftijds werken.
Je moet daar niet mee lachen!
Ik méén dat letterlijk : na vier uur werken had ik dringend mijn bed nodig.
Hoe is het nondedju zo ver kunnen komen : doodmoe zijn van een voormiddagje werken.
Vroeger was ik twaalf uur per dag onderweg om te werken!
Om te wérken!
Ik heb er trouwens nog een cursiefje over geschreven.
De bus liet even op zich wachten maar dat kon me niet deren.
Vanmiddag, in Brugge, was het namelijk prachtig lenteweer.
Ik leunde tegen een paal en … ik viel in slaap.
Zo maar! Bam! In slaap.
Staande!
Miljaarde, wat zit er in die pillen?
Ze “verdoven” mijn zenuwstelsel en ze doen dat een beetje té goed, vrees ik.
Precies alsof ik zes Leffes na elkaar dronk.
Een luid getoeter deed mij opschrikken uit mijn hazenslaapje.
Ik schrok wakker en zag bus 14 voor me staan, met open deuren.
De bestuurder zat me grijnzend aan te kijken.
Een bruine kaalkop met een trendy zonnebrilletje op zijn neus.
Zijn rechterarm was volledig getatoeëerd, tot zijn vingers toe.
Op zijn linkerarm daarentegen, stond vrij weinig : een hart met iets in het midden.
De tatoeages werden extra in de verf gezet door zijn witte hemd met korte mouwen.
Zijn naam was François, ik had hem al een paar keer als bestuurder, waarbij we telkens een gezellig praatje deden.
Die zonnebril draagt hij trouwens ook als het regent.
“Ha! Jacoja! Die pipo met zo veel woorden in zijn hoofd!”, riep hij.
“Ha! François! Die zot met zo veel tatoeages op zijn vel”, antwoordde ik.
Ik stapte op en toonde demonstratief mijn abonnement.
Ik hield het zo ongeveer twee centimeter voor zijn zonnebril.
Met een snelle beweging pakte hij mijn abonnement en stak het in zijn borstzakje.
Hij sloot de deuren en reed verder.
Ik gaf geen krimp.
“Ha!”, dacht ik, “François wil een spelletje spelen?”
“Wel, Jacoja, je hebt blijkbaar al deftig in de Leffe gezeten?”, vroeg François lachend.
Dat moet je hem toegeven, hij is altijd welgezind, François.
Een positivo, mensen, mensen.
Altijd lachen, altijd beleefd tegen de busreizigers.
Ik zag hem eens de motor afzetten en uitstappen om een oud vrouwtje aan boord te hijsen!
Hilarisch gewoon : zo een getatoeëerde aap met een kaalkop en een zonnebril, die een oud vrouwtje helpt.
Echt een toffe knul, die François.
“Nee, man”, antwoordde ik, “het komt door die pillen”.
“Nee? Je bent nu aan de extacy?”, lachte François.
“Onnozelaar, door die pillen voor mijn rug”, antwoordde ik.
“Ik kan je er wel een paar bezorgen”, vervolgde François.
“Zo van die pilletjes waar je drie dagen en drie nachten ononderbroken van doorgaat”, fluisterde hij achter zijn hand.
“Merci, François”, zei ik, “maar dat heb ik écht niet nodig.
Ik zei gisterenavond nog tegen mijn vrouwtje : “Schat, met zo’n schone kont heb jij toch écht geen bilprothese nodig.
“Nee”, antwoordde ze, “met hetgeen we daar op uitsparen kunnen we de living doen”.
François hikte van het lachen.
Hij remde bruusk.
Ik plakte ongeveer met mijn neus tegen de voorruit van de bus.
Hij opende het zijraam en vroeg aan de bestuurder van de vier maal vier naast ons :
“Wel? Is er plaats genoeg voor meneer?”.
De vier maal vier stond met twee wielen op het voetpad geparkeerd.
In de smalle straatjes van Brugge kan de bus dan niet meer door.
Dat is een constante ergernis voor de bestuurders van De Lijn.
Terwijl François een hevige, maar beleefde discussie met de man begon, jatte ik zijn portefeuille.
Ja! Die lag daar zo maar, tussen zijn papieren voor het grijpen!
“Voila”, dacht ik, “ik ben weer zeker van mijn abonnement”.
François speelde ondertussen onbewust met de knoppen op zijn dashboard.
Je weet wel : drempel verlagen naar de straat en dan de bus weer recht trekken.
Het “Japanners uitschudden”, ondertussen een populaire sport onder Brugse busbestuurders.
Schreef ik daar ook niet eens een cursiefje over?
Zijn er eigenlijk nog onderwerpen waar ik géén cursiefje over schreef?
De discussie tussen François en de bestuurder van de vier maal vier liep ondertussen hoog op.
François werd duidelijk zenuwachtig : hij kon immers niet passeren met zijn bus en de tijd liep.
Ik háát alles wat ook maar ruikt naar een vier maal vier : de bestuurders ervan zijn idioten.
De producenten ervan zijn moordenaars en verkwisters.
Weet je wat dat verbruikt, zo’n bak?
Vette egoïsten.
Ik besloot mij wat constructief te mengen in het gesprek.
Om François een beetje te helpen, weet je wel.
“Voddenverkopertje”, riep ik in het plat Brugs naar de bestuurder van de vier maal vier.
(Dat klonk niet echt zo, meer als : “slunsenmarsjangstje”)
Er viel een doodse stilte.
Iedereen in de bus hield zijn adem in.
François draaide zijn hoofd en keek me aan van boven zijn zonnebril, die op het topje van zijn neus balanceerde.
“Slunsenmarsjangstje????”, herhaalde hij.
Hij trok mijn abonnement half uit zijn borstzakje bij deze woorden.
Stoer haalde ik mijn schouders op.
“Vortzakstje”, riep ik demonstratief naar de bestuurder van de vier maal vier.
François begon zich uitgebreid voor mijn gedrag te excuseren.
“Deze meneer hier”, wees hij naar mij, “heeft het syndroom van La Tourette”.
“Hij heeft constant tics en hij vloekt tegen iedereen”, vervolgde hij.
“Hij knippert bijvoorbeeld met zijn ogen”, wees hij naar mij.
Ik begon smoelen te trekken dat het geen naam had.
Mijn wimpers trilden aan lichtsnelheid!
“Hij trekt met zijn schouders en zijn nek”, vervolgde François.
Hij keek weer naar mij.
Ik begon als een gek mijn nek van links naar rechts en van voor naar achter te shaken.
Ondertussen rolde ik mijn schouders mee op het ritme.
“Stiksje crapuul!”, riep ik naar de man buiten.
De man keek me met open mond aan.
“Het is al goed, ik zal hem verplaatsen”, zuchtte hij.
Hij stapte in en verdween met zijn vier maal vier.
De mensen op de bus ontspanden zich weer.
François zette zijn weg verder.
“Goede tactiek, Jacoja”, zei hij waarderend.
“Kijk, je krijgt er je abonnement voor terug”, vervolgde hij.
Hij gaf me mijn abonnement en ik borg het op in mijn portefeuille.
We stopten aan de bushalte van het Zand, één halte voor het station.
Ik moest wat opschuiven want er stapten mensen op.
Enkele van die mensen moesten betalen aan François.
Ik hield hen nauwlettend in het oog.
François moest teruggeven op een briefje van twintig euro.
Ik zag hem naar zijn portefeuille tasten.
“Miljaarde!” vloekte hij luid.
Iedereen op de bus hield weer zijn adem in.
“Zoek je iets?”, vroeg ik hem en ik hield zijn portefeuille op zo’n twee centimeter van zijn gezicht.
Ondertussen snokten mijn wimpers en trok ik wat met mijn mondhoeken.
“Jacoja, jij roste aap”, brieste hij en hij griste zijn portefeuille uit mijn handen.
Hij gaf de klant terug op twintig euro en grijnsde naar me.
Aan de rode lichten voor het station moest de bus stoppen.
“Wacht maar, Jacoja, ik zal je nog wel krijgen!”, lachte François.
“Wat staat daar eigenlijk op je linkerarm getatoeëerd?”, vroeg ik nieuwsgierig.
Hij keek naar zijn linkerarm en reed vervolgens de laatste meters naar het station.
Aan het station opende hij de deuren en iedereen stapte af.
Hij toonde me zijn linkerarm.
“Marianne” kon ik lezen.
“Dat is de liefde van mijn leven, maat”, zei hij zacht.
“En ze heeft ook geen protheses nodig!”, lachte hij.
Ik schudde hem de hand.
“See ya, Jacoja”, riep hij me na.
“En doe de groeten aan je vrouwtje!
Ik wandelde op mijn gemak naar het station.
François vertrok met de veertien.
16:56
Gepost door jacoja
Permalink
| Commentaren (14)
| Email dit
|
Facebook
|





